JahresTage

augustus 27, 2009

John Watts in Schiedam (25 juli 2009)

Ingedeeld onder: favourite stuff, recensie — varlam @ 11:17 am

Zaterdagavond naar een vrij toegankelijk optreden van John Watts, een van mijn helden uit de moderne muziek,  in de kapel van het niet zo lang geleden fraai gerestaureerde Schiedams Stedelijk Museum, aan de Hoogstraat recht tegenover gallery S-Town. Een moeilijk te missen locatie: toen ik wat verlaat arriveerde voor het concert dat toch pas om negen uur ’s-avonds zou beginnen, was vanaf de straatkant John Watts al zichtbaar tussen de opengezwaaide deuren van het museum, hoog verheven boven het aanwezige publiek, dat vooral bestond uit diehard-fans,  maakte hij dankbaar gebruik maakte van de aanwezigheid van de kansel in de kapel om er eerst zijn More than Music-missie toe te lichten.

John Watts (van zijn website www.johnwatts.co.uk)

John Watts (foto van zijn website www.johnwatts.co.uk)

Deze avond was er muzikale begeleiding van drummer Tristan Banks, die aan al aan verschillende platen in de jaren negentig meewerkte en dacht ik ook een tijdje deel uit heeft gemaakt van Fischer-Z. Hij is ook te zien op de reunie-DVD the Garden Party, dat een registratie is van een soort bijeenkomst van oud-Fischer Z leden en waar in steeds wisselende samenstelling in een witte tent een concert gegeven werd.

John Watts heeft niet veel nodig om een strak concert te geven. Hij heeft tientallen ijzersterke liedjes geschreven en die blijven ook mooi bij een andere uitvoering, met een uitgedunde begeleiding of in een galmende akoestiek van een kapelletje in Schiedam. In Heerlen was ik in januari van dit jaar ook al naar een concert van hem geweest, toen was hij samen met twee jonge gasten: drummer Sam Walker en toetsenist Matthew Gest. Ik vond daar vooral de energieke Walker geweldig. Banks is ook een fantastische drummer, en leek zijn meer swingende dan woeste bijdrage (hij is gespecialiseerd in Latin music) vrijwel improviserend uit zijn mouw te schudden. De reden om te gaan was om een exemplaar van zijn nieuwe CD More Than Music te bemachtigen, die alleen te verkrijgen zijn bij zijn optredens en dus niet via de geijkte kanalen van muziekwinkels of online via Bol of Amazon.

Het heeft iets sneus, hoewel Watts niet de indruk maakt dat hij sneu of zielig is. Maar toch: de artiest die in de herfst van zijn carrière nieuwe platen in eigen beheer uitbrengt en ter promotie optreedt in bars, gallery’s of zoals in Schiedam in een kapel van een museum, terwijl dat ook gewoon goed bezette concertzalen hadden kunnen (en naar mijn mening: moeten) zijn. Dat geeft te denken.

Enige weken daarvoor had ik Watts zien arriveren op het festivalterrein van Metropolis. Een gratis muziekfestival gedomineerd door harde punkrock, waarbij de geluidsflarden van de jonge bands op de diverse podia je continu overal op het terrein overspoelen. John Watts zag ik daar op een gegeven moment aan komen lopen met alleen een gitaar in zijn hand, en in gezelschap van een jongen van een jaar of vijftien (zijn zoon?). Hij was kennelijk op zoek naar de organisatie om af te spreken waar hij het beste kon optreden. Wat moest hij daar nu, precies op dat moment, op dat festival, je kon geen locatie bedenken waar hij minder op zijn plaats was! Bizar. Ik heb zijn optreden verder niet afgewacht, ik was al murw gemaakt door de eerdere optredens die ik gezien had. En zo’n festivalsfeer, daar moet je van houden. Ik niet in ieder geval.

Nee, dan was Schiedam meer zijn cup of tea. Net als in Heerlen eerder dit jaar speelde hij een zeer uitgebreide set met uiteraard veel nummers van zijn laatste More than Music-cd. Ik vind die plaat, hoewel er genoeg moois op staat, wel wat minder sterk dan bijvoorbeeld It Has To Be, of Real Life Is Good Enough. Ik vind de muzikale studiobegeleiding ook van wat mindere kwaliteit dan gewoonlijk (veel gebruik van een suf klinkend keyboard) er zit minder memorabels bij, hetgeen maakt dat je de plaat gewoon minder vaak draait.

Het complete concept van More than Music vind ik trouwens niet geslaagd. Dit concept houdt in dat hij niet alleen muziek maakt maar ook films bij die muziek (zeg maar filmpjes, van die goedkope, volstrekt niets dan irritatie bij de kijker opwekkende clips) en daarnaast op verzoek van opdrachtgevers liedjes op maat, speciaal voor hen dus, maakt en daaraan een of ander broddelkunstwerkje toevoegt en dit als geheel overhandigt dan wel opstuurt aan deze opdrachtgever. In de kapel overhandigde hij ook zo’n artefact aan een duidelijk geïmponeerde en verlegen opdrachtgever (commissioner).   Het geld wat hij zo verdiende heeft hij, zo las ik op de achterzijde van zijn CD, gebruikt om zijn laatste studioplaat te financieren.

Laat hem gewoon muziek maken en hou het daarbij, want John Watts is voor mij vooral iemand die vanuit een lijkt het wel onuitputtelijke bron de schitterendste liedjes kan blijven maken. En daarom vind ik het jammer dat zijn liedjes in opdracht, waar ongetwijfeld heel veel moois bij zal zitten, min of meer achter slot en grendel blijven van hun respectievelijke opdrachtgevers. En dat pretentieuze met artefacts en filmpjes is ook te hoog gegrepen, want het is rommel en kan niet tippen aan het niveau van zijn songs. Dan maar gewoon een liedjessmid in plaats van een Groot Kunstenaar met een Briljant Concept. Hoe ouder, hoe pregnanter soms ook het nijpende besef van onvervuldheid en hoe sterker de drang om deze leegte te vullen en daar iets tegenover te stellen dat het maakt dat je ertoe gedaan hebt in dit leven en van belang bent geweest. Dit concept zal op een bepaalde manier de resultante zijn geweest van de existentiële vragen die Watts zich gesteld zal hebben, maar ik ben er duidelijk niet enthousiast over.

Ik vind het onbegrijpelijk dat hij zo in de schaduw van de belangstelling zijn muzikale carrière moet afbouwen en beëindigen. De kwaliteit van zijn werk is ongekend, maar onvoldoende mensen herkennen dat, meedeinen als ze doen op de golven van de mode van het moment.  En dat is bijzonder jammer. Zijn platen vormen een rijk reservoir aan schitterende, creatieve, melodieuze muzikale vondsten en van troostrijke teksten, waar je onophoudelijk naar kunt blijven luisteren. Schitterende liedjes zijn bijvoorbeeld: Still in Flames en Cool enough.

Het publiek in de Kapel bestond naar ik de indruk kreeg vooral uit diehard John Watts fans. En daarvan zijn er in Nederland toch behoorlijk wat. Een vervelende gedachte: absoluut niet geassocieerd wensen te worden met de onappetijtelijke (lelijke, knoestige, eenzame, misplaatst uitbundige en vrolijke) mensen die dezelfde muziek adoreren als waarvan ik houd. Zegt misschien ook wel wat over mij. Bizar vond ik de vrouw die op een gegeven moment extravagant en uitbundig dansend zich naar voren in de kapel begaf tot ze zich enkele meters voor de geïmproviseerde bühne bevond en daar vrolijk verder danste.  Watts die toch al niet door verlegenheid wordt gehinderd, bleef er gelukkig Siberisch onder. Ik denk dan: doe toch normaal wijf, gedraag je niet als een idioot. Aandachtstrekker. Dat is voor mij ook reden om niet te vaak naar concerten te gaan: ik stoor me teveel aan mensen.

Maar waar het werkelijk om ging: het concert was goed en was van aangename lengte: voor zover me bijstaat rondde Watts pas af om half twaalf of daaromtrent. Na de uitputtende show en gelukkig in het bezit gekomen  van zijn nieuwe cd More Than Music verdwenen wij voldaan in de zoele Schiedamse zomeravond…

augustus 26, 2009

Dinosaur Jr in Watt

Ingedeeld onder: recensie — varlam @ 11:46 pm

Dinosaur Jr. ken ik al een jaar of vijftien, eigenlijk sinds ik de alternatieve muziek ging ontdekken. Nooit was ik ertoe gekomen om naar een concert van hen te gaan. Ik ging sowieso weinig. Ik ben niet zo van de mensenmassa’s en het je ongeremd laten gaan. Sinds ik met mijn vriendin samenwoon sta ik er wat meer voor open en gaan we geregeld naar concerten (vooral op mijn initiatief).  We zijn inmiddels al 3x naar Mogwai geweest, naar Gé Reinders, Rowwen Heze, John Watts (2x), Spinvis (2x), Tiger Lillies en zo nog her en der wat.

Vanavond dus Dinosaur in de Watt (het oude Nighttown, waar ik dus nog nog nooit eerder geweest was, hoewel ik al twintig jaar in Rotterdam woon…). Dinosaur Jr. is gitaar georiënteerde muziek. Het is hard, melodieus en wordt vooral gekenmerkt door de melancholie van J. Mascis, zowel in zijn teksten als in zijn manier van zingen.  Zijn platen lijken echter helaas allemaal nogal op elkaar. En een echt meesterwerk heeft al die tijd dat de band bestaat nog op zich laten wachten. Zelf vind ik de plaat die ik zelf ook heb: Where You Been de beste die ze gemaakt hebben. Een onkarakteristiek verzorgde studioplaat waarop een aantal sterke liedjes staat. Van Where You Been werd vanavond als ik me niet vergis het eerste nummer: Out There gespeeld. Van de rest van de set kan ik de nummers lang niet allemaal niet concreet aangeven (teveel op elkaar lijkend, en ik te weinig een echte fan, ben ik bang). Wel dat ze (uiteraard) de Dinosaur Jr. klassieker Freak Scene speelden. Dit is een soort oernummer van hen, waarbij het soms wel lijkt of het merendeel van hun volgende nummers later als klonen van dit klassieke nummer aan hun oeuvre werden toegevoegd.

Waarom ik ook ging: vanwege de reputatie dat Dinosaur Jr. een zeer luide band is. Daarin stelden ze me niet teleur vanavond. Ze speelden loeihard en naarmate het concert het einde naderde werd de volumeknop nog eens flink opengedraaid. Zwaar verdoofd als na een ingreep in het ziekenhuis verliet ik de Watt. De stadsgeluiden bereikten mij na afloop met een aangename dofheid en afstand. Om de een of andere reden geeft je dat een prettig en gelouterd gevoel. Het geluid die avond was weliswaar inderdaad hard, en enigszins vergelijkbaar met Mogwai, maar ik vond de sound wat minder clean. Dat maakte het concert voor je gehoor wat minder gemakkelijk te verteren.

In zijn vrije tijd beoefent J Mascis het edele schaakspel

In zijn vrije tijd beoefent J Mascis het edele schaakspel

De meeste liedjes die avond werden gezongen door J. Mascis. Nou ja zingen, vaak meer een soort gepiep en in veel gevallen was hij onverstaanbaar en kwam niet uit boven de enorme bak teringherrie. Naast J.  bestaat Dinosaur uit drummer Murph en bassist Lou Barlow, die ook zingt. Barlow heeft ook zelf soloplaten gemaakt (onder andere enkele prachtige nummers als Sebadoh) en heeft wel heel wat meer in zijn mars heeft dan het ene nummer dat hij van de bandleider gisteravond mocht zingen. Daarmee werd de hiërarchie in de band overigens wel duidelijk. Ik denk dat Barlow eerder om financiële redenen dan om die van creatieve aard nog deel uit maakt van de band en daarmee een wereldtoernee maakt ter promotie van de laatste plaat Farm.

Resumerend: Niet echt super indrukwekkend, maar wel lekker hard en verzengend. Goed om de inmiddels redelijk stram geworden J. Mascis en zijn band die ik al zo lang ken en waarvan ik de platen al zo lang draai eens echt op het podium te hebben gezien.

Het voorprogramma was overigens de uit Athens (REM!) afkomstige band Dead Confederate. Het zag er wat alternatief uit met een deprimerend ogende zanger die het haar als een gesloten gordijn voor zijn ogen hield en gitaristen met een baard alsof ze een jaar ongewassen in de woestijn hadden gebivakkeerd. Ik vond ze erg goed hoewel de zang beter kon. Het was bij tijden snoeihard en episch met sterke nummers die in heftige crescendo’s ontspoorden.  Een jonge band met nog veel ruimte voor groei, spelend met hart en ziel. Om in de gaten te houden.

juli 7, 2009

In ‘t Patronaat drinkt Mogwai een glas en doet een plas

Ingedeeld onder: favourite stuff, recensie — varlam @ 12:24 am

En over alles heen de hoge goden
die vreeslijk straften wat zij zacht geboden

Albert Verweij – Om het huis

Binnen de tijdspanne van minder dan een jaar heb ik de Schotse rockband Mogwai voor de derde keer in concert zien optreden. Met korte tussenpozen is de band nog steeds op pad en bezig met een lang uitgesponnen tournee ter promotie van hun vorig jaar augustus uitgebrachte studioplaat The Hawk Is Howling. Eerder zag ik ze in het kader van die tour vorig jaar augustus in het intieme bosrijke openluchttheater de Rivierenhof in Deurne/Antwerpen en een paar maanden later trok ik op 30 oktober naar Amsterdam voor een show in de Melkweg. Beide keren speelden ze een retestrakke show en genoot ik van een perfect optreden van een fantastisch goed ingespeelde band.

Mogwai-300x240

Een jaar of 3,4 terug ten tijde van mr. Beast

Mijn passie voor de band Mogwai is pas halverwege vorig jaar, dus laat ontbrand. In het verleden leende ik op gezag van enthousiaste beoordelingen en recensies wel eens een cd (Rock Action, Mr. Beast als ik me niet vergis) uit de kolossale Centrale Discotheek ter plaatse, maar duchtig geïmponeerd raakte ik er niet van. Pas toen ik de oerkracht en de verbijsterende schoonheid van Ex-Cowboy op Come on die Young leerde ontdekken en het nummer in mijn cd-speler op repeat had gezet en er onophoudelijk naar luisterde, kwam het er van om me ook in hun overige repertoire te gaan verdiepen.

Sinds ik me tot hun muziek heb bekeerd, hoef ik er in feite niet over na te denken om naar concerten van Mogwai te gaan zodra ik op hun website de aankondiging zie van data en plaatsen: als ze in Nederland komen moet ik er gewoon naar toe. Een evenement dat ik mezelf niet toesta te missen, dan maar allerlei ongemak op de koop toe trotseren. Gaan zal ik. Zo ook dus op 2 juli toen Mogwai optrad in het Patronaat in Haarlem.

Mogwai_02

Mogwai voert een goed gesprek

Mogwai maakt, voor mij, de ultieme, en de allermooiste muziek denkbaar. Waarom? Moeilijk uit te leggen. De songs hebben in hun meest geslaagde gevallen de vereniging van een aantal kenmerken die ze, in de uitvoering van de Schotten, onweerstaanbaar maakt: vaak een wat relatief eenvoudige basisstructuur. Songs die zich langzaam, maar spannend en toch ook melodieus, ontwikkelen tot een stormachtige, verzengende climax. Gitaren met aan orkaangeweld herinnerende kracht leiden je daarbij welhaast in een staat van trance, waaraan je je uiteindelijk alleen maar aan kunt en wilt overgeven. Voortdurend is er die dynamiek die een grote rol speelt met scherpe contrasten tussen de plotselinge afwisseling van hard en zacht (doorgaans gitaren), is er het breed uitwaaierende van de Mogwai songs, het soms zelfs tantaliserende en het zich machtig ontladen in een verwoestende climax die je na afloop als verdwaasd en overdonderd achterlaat. Typisch zulke nummers in het oeuvre van Mogwai zijn enkele songs die ze in het Patronaat godzijdank ook speelden: Ex-Cowboy, Mogwai fear Satan, en het nummer waarmee ze de set openden: I’m Jim Morrison, I’m dead.

melkweg

Mogwai in de Melkweg okt-2008

Dat is denk ik ook de reden waarom ik de concerten van Mogwai niet wil missen: ik ben op zoek naar een vorm van extase, een verlangen om op te gaan in iets groots, daarin als het ware te verdwijnen. Die extase, die tranceachtige toestand waarin Mogwai’s muziek de toeschouwer/luisteraar tijdens liveoptreden vermag te brengen, zie je eerder ontstaan wanneer de songs zich geleidelijk, langzaam, in herhalingen maar niet voorspelbaar en steeds machtiger, geïnspireerd door het moment zelf,  geïmproviseerd, zullen ontwikkelen tot een verzengend vagevuur waarin alles uiteenvalt en vergaat.mogwairivierenhof

Zo speelde Mogwai op 2 juli in het Patronaat in Haarlem dus helaas absoluut niet, de twee vorige keren trouwens ook niet.  Men dronk een glas, deed een plas en alles bleef zoals het was, zo kun je het concert van Mogwai in het Patronaat adequaat omschrijven. De bandleden stapten na afloop zo fris als een hoentje van het podium, fysiek noch mentaal ook maar enigszins uitgeput. Niet dat het concert slecht was: integendeel, de songs werden perfect uitgevoerd, het volume werd naarmate het concert vorderde zelfs flink opgevoerd en des te harder er gespeeld werd des te beter dat groepssound klonk: bij climaxen zoals in BatCat als een warm bad van ijzervijlsel.

Mogwai Effenaar

Stuart Braithwaite in de Effenaar - Eindhoven

Maar het was teveel een voorbereid kunstje, dit optreden van Mogwai. Als je dit vergelijkt met de energie van sommige andere rockbands, waarbij bandleden verwilderd, met uitpuilende ogen en doorweekt van het zweet na afloop van het podium komen gewankeld, dan was dit toch wat dunnetjes, ik zou zeggen een bijna braaf, ambtelijk concert: Mogwai’s bandleden stonden gedurende het complete concert stokstijf versteend aan het podium vastgenageld, en alleen de lichtelijk masturbatoir aandoende bewegingen van bandleider Stuart Braithwaite geven het concert een suggestie van een bepaalde emotionele betrokkenheid. Niet dat me dat stoorde hoor, in tegendeel. Ik hou niet van aanstelleritis van rocksterren, mij gaat het uitsluitend om de muziek (serious rockmusic), maar ook die muziek van Mogwai kon in het Patronaat een emotionele oppepper op het podium soms heel goed gebruiken.

patro12

Braithwaite in Patronaat Haarlem

Ondanks de genoemde minpuntjes, toch weer enorm genoten van de band die voor mij overall en alltime op nummer 1 staat. Gelouterd stapte ik daarom na afloop de avondlucht in van Haarlem. Zulke wonderschone muziek, krachtig, hard en strak uitgevoerd, zo maak je concerten niet vaak mee. Een doorgewinterde concertganger zal ik nooit worden, daarvoor stoor ik me teveel aan de mensen om me heen op zo’n avond (neem alleen die mensen al die de godganse avond met hun camera’t je van 100 euro middelmatige flitsplaatjes schieten en filmpjes maken die uiteindelijk toch totaal niet overkomen). En zo zijn er meer zaken bij concertbezoek die mij niet echt bekoren, maar wanneer Mogwai optreedt schuif ik dit soort bezwaren gemakkelijk terzijde.

Benieuwd wanneer Mogwai zich weer in de buurt meldt, ik zal dan zeker niet op het appèl ontbreken. En laten we hopen op iets meer peper in hun reet.

juni 13, 2008

De drie pogingen van Anatoli Solonitsyn

Ingedeeld onder: favourite stuff, film, russisch, tarkovsky, vertaling — varlam @ 12:29 am
Tags: , , ,

Een vertaling van het artikel “Tri popytki Anatolija Solonitsyna” door de journalist Sergei Andrjoesjin uit het blad “Troed” van 27 oktober 2005. Het artikel is gewijd aan de acteur Anatoli Solonitsyn, die hoofdrollen speelde in de films Andrej Roeblev, Solaris en Stalker van de Russische regisseur Andrej Tarkovski.

In 1965 las Anatoli Solonitsyn, onbekend acteur bij het theater van Sverdlovsk, het scenario van Andrej Roeblev in het blad Filmkunst. Zijn hart sloeg er enkele slagen van over: “Die rol die moet ik hebben!” Zijn verstand zorgde meteen voor enige relativering: “Vergeet dat nou maar, jij hebt toch nooit eens geluk”. En inderdaad, met geluk wilde het bij hem tot die tijd nog niet echt vlotten. Weliswaar had hij een rol gespeeld in de film “De zaak Kurt Clausewitz” van de jonge regisseur en student aan de Moskouse Filmacademie VGIK Gleb Panfilov maar of dat nou voldoende was om hals over kop te verhuizen en om voor zo’n prestigieuze rol de competitie aan te gaan met gelouterde Moskouse acteurs was zeer de vraag.

Het toeval wilde dat juist in die tijd, waarin innerlijke twijfels en kwellingen hem teisterden, zijn vader de beschikking kreeg over het manuscript van een historicus uit Nizjni Novgorod waarin verteld wordt over de 18e eeuwse iconenschilder Zachar die een verre verwant was van de familie. Dat moest wel een teken zijn. Toen zijn vader hem het manuscript liet lezen, besloot hij om onverwijld af te reizen!

De enige echte Roeblev

Tarkovsky stond in dubio. Aan de ene kant, begreep hij als kunstenaar dat hij met het gezicht van de uit de provincie afkomstige nobody Solonitsyn eindelijk de ideale vertolker had gevonden voor de rol van Roeblev waarnaar hij zo lang op zoek geweest was. Aan de andere kant waren de audities van het twintigtal zeer ervaren acteurs inmiddels voltooid en was de keuze zo goed als zeker op Stanislav Loebsjin gevallen. Zelfs zijn leermeester Michail Romm, aan wiens woord Tarkovsky gewoonlijk onvoorwaardelijk geloof hechtte, adviseerde hem af te zien van onnodig risico. De regisseur nam toen een ongebruikelijke stap: hij nodigde historici en restauratoren, gespecialiseerd in Oudrussische kunst, thuis bij zich uit, spreidde voor hen de foto’s uit van de acteurs die geauditeerd hadden voor de rol van Roeblev en vroeg hen te kiezen. Iedereen wees naar Solonitsyn. Waarom? God mag het weten. Roeblev was geen verlicht schilder en had geen zelfportretten gemaakt, niemand wist daarom hoe hij eruit zag. Wellicht was er dus iets in zijn gezicht, een bepaalde trek, in de helderheid van zijn ogen, of de energie die hij uitstraalde, wie weet geërfd van Zachar….

Afwijzing in verband met ongeschiktheid voor het vak

Solonitsyns professionele carrière was zeer moeizaam begonnen. De toekomstige acteur werd in 1934 geboren in de toenmalige oblast Gorki (* het tegenwoordige Nizjni Novgorod). Later verhuisde het gezin naar het centrum van de oblast. Bij zijn geboorte was het overigens helemaal niet de bedoeling dat Solonitsyn later Anatoli zou gaan heten, maar Otto. Vernoemd naar de poolonderzoeker Otto Schmidt wiens avonturen destijds door het gehele land gevolgd werden. Maar de provocerend Duits klinkende voornaam moest veranderd worden toen de oorlog begon. Het leren ging hem slecht af. Uiteindelijk verliet hij de gewone middelbare school en stapte over naar de technische school. Vaak kwam hij pas ’s-nachts thuis. En op een keer betrapten zijn ouders hem erop dat hij lessen verzuimde en in plaats van het volgen van praktijklessen op school en onderwezen te worden in de marxistisch-leninistische principes de voorkeur gaf aan films in de nabijgelegen bioscoop en toneelvoorstellingen in de plaatselijke schouwburg. Toen hem gevraagd werd waar het geld vandaan haalde, bekende hij eerlijk dat hij thuis spullen stal en die op straat verkocht. In het gezin ontstond er toen een lichte vorm paniek. Het gevolg was dat Anatoli voortijdig een einde maakte aan zijn opleiding en als draaier in de fabriek aan de slag.

Driemaal deed hij toelatingsexamen aan het GITIS (* de Moskouse toneelschool) en elke keer strandde hij in de derde ronde. Met die tegenslagen kon hij slecht omgaan, hij schaamde zich om weer naar huis te gaan. Jaren later vertelde hij dat hij enkele keren bijna zelfmoord had gepleegd. Bijzonder pijn deden hem de uitspraken van een van de examinatoren over zijn zogenaamde ongeschiktheid voor het acteursvak. Anatoli begreep dat hem dat, vanzelfsprekend, zat in zijn voor acteurs ongebruikelijke uiterlijk. In geen enkel opzicht leek hij op die zelfverzekerde, professioneel aantrekkelijke mannen, die met gemak aan de toelatingsvereisten voldeden. Na de eerste mislukking nam hij een baantje aan als arbeider bij een geologisch onderzoek. Maar daar werd hij belazerd. Zonder een cent op zak legde hij de honderden kilometers weer terug naar huis deels met boemeltreintjes af maar deed hij dat toch grotendeels te voet. Het volgende jaar ging hij bomen rooien in de moerassen in de provincie Ivanovo (300 kilometer boven Moskou-VT), waarmee hij zijn gezondheid ernstige schade zou berokkenen. En na de derde mislukking nam hij het advies aan van zijn broer, die toen net verhuisd was naar Sverdlovsk, vertrok ook die kant op en meldde zich aan bij de toneelgroep van het plaatselijke theater.

Zwijgen en nog eens zwijgen

Zijn professie benaderde Solonitsyn als…tsja, hoe zou je dat het meest nauwkeurig kunnen omschrijven? Misschien wel zo: als met een manische gepassioneerdheid.

Aleksei, de broer van Anatoli Solonitsyn, herinnert het zich nog goed: Tarkovsky was van plan om “de Idioot” voor de televisie te bewerken. De hoofdpersoon daarin zou de verteller zijn. Dat wil dus zeggen Dostojevsky zelf. Tijdens een gesprek met Tarkovski, vertelde Anatoli hem dat hij die rol zo graag wilde spelen dat hij zelfs bereid was plastische chirurgie te ondergaan om een grotere gelijkenis met de schrijver te vertonen. “Ben je nou helemaal gek geworden” zei Tarkovsky hem toen met een wegwerpgebaar. “Wanneer je het gezicht van Dostojevski hebt, zullen ze je echt geen enkele rol meer geven”. “Nou en, wat dan nog”, antwoordde Anatoli, “wanneer ik Dostojevski eenmaal gespeeld heb, waarom zou ik dan daarna nog een volgende rol willen spelen!”

Aan het slot van Andrej Roeblev verbreekt de hoofdpersoon zijn jarenlang volgehouden zwijggelofte. Tarkovsky wilde dat Roeblev’s eerste zinnen met een gebarsten, verouderde stem uitgesproken zouden worden. Zo zou volgens hem iemand spreken die ontwend is geraakt aan het geluid van zijn eigen stem. Hij stelde Solonitsyn daarom voor om ten behoeve van zijn rol te proberen gedurende enige tijd te blijven zwijgen. Dat wil zeggen volledig. Dus thuis geen woord, aan de telefoon niet, in het openbaar vervoer ook niet. En de acteur zou ook zwijgen. Wekenlang maakte hij zijn bedoelingen uitsluitend via gebaren kenbaar. En enkele dagen voor de opnames bond hij zelfs een sjaal strak om zijn nek, zodat zijn stembanden geblokkeerd raakten. Het was een bijzonder ongemakkelijke situatie voor zowel hemzelf als voor de mensen om hem heen. Een bevriende arts zei naderhand dat Solonitsyn door deze actie zelfs zijn stem had kunnen verliezen. Maar Tarkovski kreeg precies datgene wat hij wilde…

En nogmaals drie pogingen

De eerste vrouw van Solonitsyn was grimeuse in het theater. Volgens vrienden van de acteur stond zij bekend als een bijzonder lichtzinnige dame. Solonitsyn was daarvan op de hoogte, maar hij was ervan overtuigd dat zij net als Sonja Marmeladova uit Dostojevski’s roman Misdaad en Straf door middel van oprechte liefde en aandacht ten goede zou kunnen veranderen. Op de bruiloft maakte een van de gasten een minder gewaardeerd grapje over de reputatie van de bruid, toen de grappenmaker hierop direct geveld werd door een uithaal met een karaf werd duidelijk dat hij dit beter achterwege had kunnen laten. Maar snel daarna moest Solonitsyn toch afstand nemen van zijn romantische illusies over de triomf door het goede: het huwelijk hield maar enkele maanden stand.

Toen hij opnieuw trouwde was daar eerst een langdurige relatie aan voorafgegaan. Solonitsyn was bang om voor een tweede keer de fout in te gaan en had zijn toekomstige echtgenote daarom eerst goed willen doorgronden. Helaas zou hij er ook deze keer niet zonder blaren vanaf komen. Maar dat zou pas veel later gebeuren. De manier waarop hij kennis met Larisa maakte was bijzonder romantisch. Solonitsyn was acteur bij het Sverdlovsks theater en hield geregeld literaire avonden aan de technische Oeral-hogeschool. Wanneer hij dan het grootste gedeelte van het programma had afgewerkt, droeg hij gedichten voor op speciaal verzoek van de toehoorders. Dat kom soms wel een uur duren, want verzoeken weigeren deed hij niet. Daarmee veroverde hij Larisa, en ze begonnen elkaar geregeld te zien. Daarna ontstond er die twee jaar durende relatie, volgde de bruiloft en werd een dochtertje geboren dat ook de naam Larisa kreeg, naar zijn vrouw van wie hij zielsveel hield.

Het gezin woonde enige tijd in Novosibirsk. Daarna, toen Solonitsyn filmopnames had in de Mosfilm-studio’s, in Moskou, in het huis van Tarkovski (de regisseur zelf was voor die periode ingetrokken bij zijn echtgenote). Toen hij voor het LenSovjet-theater begon te werken en zijn gezin neerstreek in Leningrad, kregen ze een kamer in een meergezinswoning toegewezen en een paar jaar later kregen ze de beschikking over een complete woning. (Wat had Boelgakov toch gelijk toen hij stelde dat ongeacht over welke grootheid in ons land je ook schrijft, altijd duikt dat vertrouwde onderwerp weer op: de kamers, appartementen, kommunalka’s (* meergezinswoningen) en huurwoningen.) In de tussentijd werd Solonitsyn geleidelijk steeds beroemder. Per jaar nam hij enkele films op, en continu kreeg hij uitnodigingen om bij festivals op te treden. Er waren periodes dat Anatoli en Larisa elkaar een half jaar niet zagen. Er ontstond een verwijdering, ruzies laaiden op. Hun gezinsleven was uiterst ongeregeld. Wanneer Anatoli zijn honorarium ontving, was het thuis een paar dagen groot feest, weet zijn dochter nog wel. Daarna moesten ze weer wekenlang op een houtje bijten. Solonitsyn was een jaloers man. Op een keer toen hij na een lange afwezigheid weer thuiskwam fluisterde iemand hem iets in zijn oor. Zijn vrouw een jaar of elf jonger dan hij, literair supervisor in het theater, en nu was daar dus een regisseur die…Solonitsyn pakte zijn spullen in een koffertje en vertrok naar Moskou, waar opnieuw Tarkovski hem verwachtte, deze keer voor de repetities van Hamlet in het LenKom-theater. Naar later bleek, was hij nu voorgoed vertrokken. Hij kreeg een kamer in een studentenflat bij het LenKom-theater waar hij zou blijven wonen tot aan zijn derde huwelijk.

Tijdens het filmen van Stalker kreeg Solonitsyn een nieuwe relatie. Haar naam was Svetlana en ze was grimeuse. Zoals later duidelijk werd, was zij in staat om Anatoli te geven waarvan hij zijn hele leven al gedroomd had: onvoorwaardelijke liefde, verzorging, de geborgenheid van een gezin. Ze woonden in het kleine kamertje van Svetlana in Ljoebertsy (* voorstad van Moskou), maar Solonitsyn was daar met recht gelukkig. Ze kregen een zoon, Aleksej, genoemd naar de jongste zoon van Anatoli.

Het begin van de jaren tachtig was voor Solonitsyn uiterst rooskleurig verlopen. Zo werd hem de onderscheiding Russisch artiest van verdienste toegekend, en ontving hij een Zilveren Beer voor de beste mannelijke rol op het Berlijns Filmfestival. Hij kocht een woning bij de Mosfilm-coöperatie.

Einde

De laatste jaren van zijn leven was Solonitsyn ernstig ziek. Lang had hij geen idee wat hij scheelde, of deed hij net alsof om de mensen uit zijn naaste omgeving niet te verontrusten. Hij zocht de dokter niet op, zoals dat wel vaker gaat bij mensen die er bang voor zijn dat de diagnose hen slecht nieuws zal brengen. Maar op een keer viel hij tijdens opnames van een paard en voelde zo’n pijnscheut dat hij een gil niet kon onderdrukken. Hij werd naar Moskou overgebracht. Enkele artsen die hij kende onderzochten hem nauwgezet. Longkanker. Op z’n best nog een jaar te leven. De beste chirurgen voerden de operatie uit, verwijderden een long, maar de kankercellen hadden zich al uitgezaaid. Van alles werd in het werk gesteld: alternatieve geneeswijzen, zogenaamde universeel werkende medicijnen etc. De laatste maanden verliet hij zijn bed vrijwel niet meer. Slechts ondersteund door zijn broer kon hij aanwezig zijn bij de première van zijn laatste film “De gestopte trein”.

Hij stierf op 47-jarige leeftijd.

Snel na zijn dood stierf onder tragische omstandigheden ook zijn tweede vrouw Larisa. Er werd gezegd zelfmoord. Hun dochtertje Larisa die zonder haar beide ouders verder moest was toen pas 14 jaar. Ze woonde zelfstandig, en ging later naar het VGIK om daar te studeren aan de faculteit der filmwetenschappen. Zijn zoon Aleksei werd jurist, maar begon zich daarna alsnog te bezinnen op een carrière binnen de filmwereld.

Sergei Andrjoesjin

mei 16, 2008

Een neergestreken vlucht regenwulpen

Ingedeeld onder: herinneringen — varlam @ 1:35 am
Tags: ,

Een gewoon vakantiekiekje uit een fotoalbum van een gewoon gezin, zo lijkt het, maar de schijn bedriegt. Voor mij gaat er een complete wereld mee open, want ik herken de de vrouw op deze foto. Het is S. De plotselinge herkenning van haar maakt dit plaatje ineens tot een doordringende echo uit een tijd die lang en breed achter mij ligt.

Ze heeft deze wat overbelichte foto op haar pagina weergegeven in een sepia tint, naar ik veronderstel om de heldere details van het origineel wat af te vlakken en om daarmee, onbewust mogelijk, enige afstand te scheppen tegenover de blikken van nieuwsgierige buitenstaanders die deze foto ooit mogelijk zullen bekijken. S. , die zich hier beschermend met haar lichaam neigt naar haar, naar ik aanneem, dochtertje, zit hier blakend van gezondheid (zo fantaseer ik) op het terrasje voor de vakantiewoning van haar gezinnetje in Frankrijk. Meer informatie biedende aanknopingspunten zijn schaars op deze foto: achter moeder en dochter zie je een wat hoger aan de muur van het huisje bevestigd brandend lantaarntje, en op een tafel voor hen is nog net de rand zichtbaar van een glas, dat naar ik veronderstel gevuld is of was met een koel alcoholisch drankje, als finishing touch om een fraaie dag in stijl af te sluiten.

Het is avond en hartje zomer in Frankrijk. Fantaseer ik. Het is het einde van een hete dag en het is duidelijk dat moeder en dochter als echte vakantiegangers de uitbundig schijnende zon deze dag gretig op zich in hebben laten werken. Ze verblijven al enige tijd in dit oord en zien er geweldig gezond en gebruind uit.

Terwijl ze daar zo in de buitenlucht op het terras na zitten te genieten van de mooie dag en luisteren naar het kenmerkende sjirpen van krekels, haalt de hier niet zichtbare echtgenoot plotseling zijn mobiele telefoon tevoorschijn en kiekt hij vrouw en kind, als om dit moment van zomers idyllisch geluk en welvaren vast te leggen, voor later, voor henzelf, om dan te zeggen: zo mooi was het toen, daar, die avond, die zomer.

Die plotselinge onverwachtse manoeuvre is enigszins te herleiden uit de expressie op het licht geschrokken gezicht van de moeder en in de wat wezenloze uitdrukking van het kindergezichtje. De moeder, S., zet een vrolijk gezicht op, maar het is duidelijk dat het hier niet om een onvoorwaardelijke vrolijkheid, lichtheid gaat; want wat overheerst is de gereserveerdheid, en ook de onmiskenbare drang om controle te houden over de situatie, en dat verklaart ook haar neigen naar haar eigen kindje, het moederinstinct dat daarmee in zekere vorm aan de oppervlakte komt, om te waken over haar bloedeigen kleine meisje.

We schrijven bij het maken van deze foto ruim 20 jaar na dato. Haar en mijn leeftijd hebben zich sindsdien meer dan verdubbeld. Meer dan twintig jaar na wat eigenlijk? Twintig jaar na afloop van iets dat alleen bestaan heeft in het hoofd van één persoon, een persoon die niet geheel toevallig naar mijn naam luistert. Ook meer dan twintig jaar na de laatste ontmoeting tussen ons, een ontmoeting die geen ontmoeting was, maar een ontboezeming van mij op de allerlaatste dag dat het kon, als finale van een relatie, die geen relatie was maar de resultante van de overspannen verbeelding van iemand, die de werkelijkheid liever de weg uit ging.

Maar wat is ze, S., mooi, mooi gebleven ook en wat ziet ze er lief uit! De tijd heeft onmiskenbaar zijn stempel gedrukt op haar uiterlijk en voorzichtig beginnen de kraaienpootjes zich af te tekenen bij haar ogen. Ze heeft ook wat plekjes onder haar mond, op haar kin, maar misschien is dat niet de erosie van de tijd, maar zijn het de nauwelijks nog zichtbare, daar voorgoed vastgezette overblijfselen van jeugdpuistjes. Iets dat me vroeger niet eens opgevallen was, maar verkeerde dan ook zelden dicht in haar directe kring, ik deed mijn werk vooral op afstand.

S. is volwassen geworden, een vrouw, met een man en een kind (mogelijk een aantal kinderen – maar daar lijkt ze niet echt het menstype voor), maar ook iemand die zichzelf een levenspad heeft gekapt om haar ambities de vrije loop te laten en te verwezenlijken, en daarmee haar potentieel te materialiseren . Dat kun je op een bepaalde manier ook afzien aan haar volwassen, harde gelaatstrekken die ze heeft gekregen in een overigens glad, goed gesoigneerd en geconserveerd, prachtig regelmatig, ja zelfs voornaam gezicht. Wat zou ze geworden zijn, vraag je je onwillekeurig af, welk beroep heeft ze gekozen? Wanneer je naar de foto kijkt, zie je een dermate zelfbewuste vrouw, dat je je eigenlijk niet kunt voorstellen dat ze uiteindelijk niet geworden is, wie ze had willen zijn.

Ik kijk maar weer naar de foto. Ik kijk er deze dagen voortdurend naar, lichtelijk verbijsterd, verbaasd ook dat zoiets zo gemakkelijk op internet op te sporen is als je je gezonde verstand een beetje gebruikt, en ik kijk er eerlijk gezegd ook wel een beetje met een geluksgevoel naar. En ik zie dat S., het meisje dus uit mìjn jeugd, het haar hier gemakshalve eenvoudig maar effectief strak achterover draagt, waar het bijeen gehouden wordt in een paardenstaart, op dezelfde onopgesmukte manier zoals ze dat vroeger, meer dan twintig jaar geleden dus, deed toen ze op dezelfde middelbare school zat als ik. De tijd dus dat ik haar ongestoord dagelijks kon observeren, dat ik tijdens de lesuren uitkeek naar de kleine dan wel grote pauzes, dat ik daarin verder kon gaan met het haar bespieden, begluren, hoe je het maar wilt noemen, te bemonsteren misschien wel, zoveel ik wilde zolang het bij haar maar niet in de gaten liep. De tijd dat de schoolweken niet lang genoeg, de weekends niet kort genoeg konden duren en ik in de grote zomervakantie de dagen aftelde tot het nieuwe schooljaar weer zou beginnen (en dat is echt gebeurd).

Het heeft ook iets geruststellends, dat ouder worden van vrouwen, zeker wanneer ze zo tegen de veertig jaar lopen en dan de leeftijd bereiken dat hun uiterlijke schoonheid af begint te brokkelen, ja, in een onstuitbare val terecht komt die hier en daar nog wel afgeremd kan worden, maar waar uiteindelijk geen kruid tegen gewassen is, tegen dat fatale tikken van de tijd. En het relatief mooie voor de mannen is dan: het maakt ineens niet meer uit om wat voor reden het toen, lang geleden, meer dan twintig jaar terug, niet lukte met dat mooie, onbenaderbare meisje. Zoals ze toen was in al haar glorie en jeugdige schoonheid, bestààt ze gewoon niet meer; haar schoonheid is teloor gegaan. En daarmee vervalt de voornaamste reden voor de eerdere onvoorwaardelijke aanbidding: de jeugdliefde kan ten grave gedragen worden en mag voort blijven leven als een mooie herinnering aan een heel erg intense periode van een adolescent op weg zijn volwassenheid.

S. speelt geen rol in mijn leven. Dat heeft ze in feite ook nooit echt gedaan. Het was alles slechts illusie en verbeelding. De recente, plotselinge confrontatie met haar via een niet zo lang geleden genomen foto deed enig stof opdwarrelen in mijn herinneringen op de bodem van mijn ziel, maar inmiddels is de rust daar weergekeerd en de orde hersteld, alles is weer aan kant. Wat mij betreft zit dit verhaal er na mijn overdenking in dit stuk daarom nu echt op.

Een volgend moment van overpeinzing, over een jaar of 20, bijvoorbeeld in het ronde futuristische jaar 2030, zou de moeite waard kunnen zijn als het mij ook daadwerkelijk interesseerde. Maar dat is dus niet het geval. Ik zie dit stukje daarom mede als definitief afsluiting van een draadje uit mijn verleden. Eventjes heb ik overwogen om S. dit artikel te doen toekomen onder het mom van: ze zal het godverdomme weten ook dat ik er ben, dat ik besta en dat mij een rol van betekenis toekomt in haar leven, zoals zij die innam in dat van mij. Ik doe dat nu toch maar niet, dat kan altijd nog en op papier laat ik deze mogelijkheid nog even open.

In alle oprechtheid wens ik haar wèl veel geluk en gezondheid toe in haar verdere leven. Dat ze dat leven zonder mij leidt is niet langer onverdraaglijk voor mij en daarom van volstrekt irrelevante betekenis geworden.

april 30, 2008

Een witgehemd orkestje. Over Marte Jacobs – Tim Krabbé

Ingedeeld onder: Boeken — varlam @ 2:28 pm
Tags: , ,

De jonge dichter Emile Binenbaum heeft zijn verliefdheid vertaald in woorden, en een gedicht geschreven over zijn heimelijke geliefde Marte. Pasgeboren girafje heet het. Een mooie titel. Dit pasgeboren girafje is een gecodeerde liefdesverklaring, en niet direct herleidbaar tot Marte omdat Emile zich een beetje schaamt voor het leeftijdsverschil tussen hem en haar van 6 jaar.

Dit op jonge leeftijd door Emile geschreven gedicht blijkt niet minder dan een voltreffer, niet alleen werd het zijn persoonlijke favoriet tussen zijn duizenden andere gedichten, maar ook die van lezers en later zal het uitgroeien tot een klassieker. Hetgeen wel blijkt uit de volgende zin uit het boek:

Als “Emile Binenbaum”het antwoord was in een quiz op de televisie, dan was dat nooit op de vraag wie de grootste dichter van Nederland was, maar altijd op de vraag wie Pasgeboren Girafje had geschreven. (blz 142). Let ook op dat pedante “altijd”.

Tuurlijk. Zou ook een typische vraag zijn die je wekelijks tegenkomt bij een quiz op televisie: wie is de grootste dichter van Nederland? Kan zo in “twee voor twaalf”…Gekkigheid natuurlijk. Enfin, de grootste schrijver van Nederland is Krabbé in elk geval niet.

Wat mij enigszins stoort is dat in “Marte Jacobs” zo vaak naar het gedicht Pasgeboren girafje wordt verwezen en het dus essentieel is voor het boek, maar dat het gedicht nergens deels of integraal weergegeven wordt. Dat is dan kennelijk iets wat aan de bekende verbeelding van de lezer overgelaten moet worden, zoals dat dan heet. Ik vind dat toch onbevredigend.

De lezer wordt op deze manier iets wijsgemaakt zonder dat het waargemaakt wordt. Een auteur kan op die manier alles wel beweren in een roman zonder het aannemelijk te hoeven maken.

Het gedicht Pasgeboren girafje is een publiekslieveling, en in de loop der jaren een klassiek gedicht geworden, een evergreen die niet mag ontbreken bij welke voordracht in het land van Binenbaum dan ook. Waarom staat het dan niet in het boek, waarom de lezer geen deelgenoot maken van de eenvoud en de schoonheid van het gedicht?

Het antwoord is ontluisterend en simpel, ben ik bang. Dit gedicht is er namelijk niet, Krabbé maakt zich er hier wel heel gemakkelijk vanaf en faalt dus in het waarmaken van zijn pretenties (meesterwerk, klassieker, publiekslieveling…kom op dan, laat het zien in het boek…).

Iets dergelijks stoorde me ook al in Sneeuw van Orhan Pamuk. Natuurlijk een ander boek: een complexe roman en niet een novelle met één thema, maar niettemin laborerend aan hetzelfde euvel en daarmee afbreuk doend aan de kwaliteit en geloofwaardigheid van het boek als geheel. Dichter Ka hervindt in Sneeuw in Kars zijn inspiratie en de gedichten komen na jaren van literair droogstaan als goddelijke ingevingen opnieuw tot hem, maar de inhoud of de regels ervan vind je niet terug in het boek Sneeuw, terwijl ze wel degelijk van grote betekenis zijn voor het boek.

Marte Jacobs deed me denken aan “Een vlucht regenwulpen” van Maarten ’t Hart en aan “Terug tot Ina Damman” van Simon Vestdijk. Ook daar onbereikbare jeugdliefdes (en in ’t Harts boek heet het meisje toevallig bijna hetzelfde: Martha), platonische verliefdheden waarbij de lezer deelgenoot is van de kolkende gedachtestromen van de protagonist. Ook daar het continue analyseren en het op zichzelf betrekken door de hoofdpersoon van elke beweging, elke uitgesproken zin van zijn geliefde of afstand, met wie zoals in dit boek wel contact is en met wie gesproken wordt, maar niet over datgene waar het werkelijk om draait.

Marte Jacobs onderscheidt zich wat van de twee andere boeken door het leeftijdsverschil tussen de jongen en het meisje: Emile is 6 jaar ouder dan Marte, maar het soort verliefdheid is niet wezenlijk anders, het leeftijdsverschil maakt de verliefdheid in dit boek niet tot iets ranzigs, het maakt het er eerder mooier en onschuldiger op.

Vier jaar hebben ze elkaar niet gezien, wanneer ze elkaar tijdens een schoolfeest weer ontmoeten. Dat is meteen ook de laatste keer. Marte verdwijnt na afloop van die avond aan de hand van zijn vriend de schrijver Reiff voorgoed uit zijn leven, en zal niet lang daarna zelfmoord plegen. Het motief voor deze daad blijft volstrekt onopgehelderd (was ze ongelukkig dan? Zo ja, waaruit blijkt dat dan in het verhaal?) en is daarom onbevredigend. Wel probeert Binenbaum zich tegen beter weten in wijs te maken dat hij tot het laatst van betekenis was in het leven van Marte, en zich ervan te overtuigen dat ze ook zijn in de krant gepubliceerde vervolg op “pasgeboren girafje” (“Het tweede gedicht” - een vertolking van zijn liefde voor Marte, om aan alle misverstand een einde te maken) gelezen zou hebben, en belangrijker nog, begrepen zou hebben. De gedachte om géén rol meer in haar leven te spelen, terwijl hìj geobsedeerd en volledig door haar in beslag genomen wordt, zou uiteraard compleet onverdraaglijk zijn voor de inmiddels beroemde en gewaardeerde literator.

Door de intensiteit, heftigheid en van de gedachten in Binenbaum’s hoofd en de openhartige eerlijk waarmee dit wordt weergegeven wint het verhaal na verloop van tijd aan urgentie en kon het daardoor op mijn sympathie rekenen. Maar die sympathie sloeg soms ook over in irritatie.

Wat mij vooral tegen ging staan was de betutteling en de uitleggerigheid van de schrijver. Storend zijn de korte zinnetjes die veelbetekenend en suggestief als alinea apart staan. Daarin lijkt hij wel op Conny Palmen die dat met nog veel meer pretentie hetzelfde doet in haar boeken. Irritant is vooral het overdadige gebruik in bijna elke alinea van accenttekens en cursiveringen in zinnen. Alsof de schrijver bang is dat de lezer zijn zinnen anders niet goed zou kunnen interpreteren. De zinnen krijgen daardoor iets nadrukkelijks, een gekunstelde beklemtoning, en een soort vermoeiende dreunende cadans die een vlotte leesbaarheid niet bepaald bevordert:

“Hij was er avonden mee bezig, versie na versie, dagenlang, de hele tijd die hij nog had vòòr de eerstvolgende inleverdatum. Uren waarin hij eigenlijk voor zijn eindexamen had moeten werken, want daar wilde hij wèl voor slagen”.

Of zoals hier: Hij keek net in haar ogen op het moment dat ze zei: iedere keer, en hij dacht te zien dat ze bloosde. Ze had zich versproken: ze had gefantaseerd, misschien al in de bioscoop, over méér afspraakjes met hem, genoeg om daar woorden als ‘iedere keer’ voor te kunnen gebruiken. (blz. 60)

Lang geleden las ik “de Renner” van Krabbé. Ik heb me daardoor heen geworsteld, ondanks dat het net als Marte Jacobs een dun boekje was. Toch was het nog te dik. Marte Jacobs ook trouwens. Krabbé was toen geen stilist en hij blijkt het nog steeds niet te zijn. De volgende zinnen en zinnetjes illustreren dat:

“Een hinniklachje was daarmee in contrast”,

“een nattig weiland…”

“Reiff had zijn bril niet op en keek met een wazige blik, op de rand van herkennen, naar Emile. Emile ging ook zitten, en keek terug”.

“op een podium aan een zijkant speelde een witgehemd orkestje, met strikjes en bolhoedjes…”

“Tovervoorhoede” (bedoelt misschien iets als droomvoorhoede, uit een dreamteam of iets dergelijks )

“Dan is die op en gooit hij de rest weg…” (over het eten van een ananas).

Kromme en onhandige zinnen, je komt ze voortdurend tegen. Op de momenten dat je meegesleept word door het verhaal, zijn ze wat minder storend.

Wanneer je op de website van Krabbé kijkt, struikel je over de lovende recensies van zijn boeken. Beetje zielig hoe hij daar werkelijk alle uitsluitend lovende soundbites uit recensies over dit boek heeft verzameld. Er is geen wanklank te horen! Kennelijk heeft hij dat nodig als bevestiging dat hij toch echt een goed boek heeft geschreven, zelf is hij daar nog niet zo zeker van. Die boeken dus zijn inmiddels ook al in diverse talen vertaald zijn (16 verschillende talen, meldt onze Tim vol trots), waaronder in het Russisch. Geen geringe prestatie voorwaar. Toch vraag je je af, waarom uitgerekend dit soort boeken vertaald moet worden. De Nederlandse literatuur heeft toch wel iets originelers, mooiere, beter geschreven boeken te bieden dan het hooguit niet onaardige werk waarmee Tim Krabbé totnogtoe voor de dag is gekomen.

Interessanter (en ook wel lichtelijk monomaan vanwege zijn verzamelingsdrang en hang naar compleetheid) vind ik hem als beheerder van zijn eigen aan schaakrecords en schaakcuriositeiten gewijde website: Chess Curiosities. Een door schakers zeer gewaarde en veel geraadpleegde website. Daarin is Krabbé iets meer bijzonder.

april 7, 2008

Christophe de verlosser. Over: Sint-Juttemis – Maria Stahlie

Ingedeeld onder: Uncategorized — varlam @ 11:19 pm
Tags: ,

Margot van der Molen vertrekt nadat ze thuis in Amsterdam een alarmerend telefoontje heeft gekregen over het trieste lot van mogelijk haar Franse jeugdvriend en nu bekend acteur Christophe Dralas, in allerijl en in ongewenst maar praktisch noodzakelijk gezelschap van weerspannige puberstiefdochter Liza en aan het dementeren geslagen schoonmoeder Sophia – beiden worden met overduidelijke weerzin de auto ingeduwd – naar het verstikkend hete, hartje zomerse Parijs om daar op verzoek van Christophes broer Jean-Jacques in psychiatrisch ziekenhuis Centre Hospitalier Saint-Anne de na een zelfmoordpoging door middel van het doorsnijden van zijn polsen buiten bewustzijn (of ook wel lichamelijke dissociatie of conversiesyndroom genoemd als meer precieze medische omschrijvingen van de bewusteloze staat waarin hij zich bevindt) verkerende Christophe (of is het toch iemand anders, een sloeber met een snor bijvoorbeeld zoals Margot in eerste instantie hardnekkig zichzelf voorhoudt?) – dat wil zeggen haar naaste naaste, de persoon die zij nooit niet gekend heeft, karakteriseringen van Christophe zoals ze in de roman frequent terugkomen en aan geloofwaardigheid en zeggingskracht lijken te winnen naarmate ze vaker herhaald worden – te identificeren.

Christophe, de persoon om wie het hier gaat, is in alles de tegenpool van de bedachtzame, redelijke, conflictmijdende en vooral rationele Margot:

“Christophe was mijn naaste naaste. Hij was drie weken na mijn geboorte aan me toegevoegd en was alles wat ik niet was. Onbesuisd. Onbekommerd. Onkwetsbaar. We waren totdat we naar verschillende middelbare scholen gingen onafscheidelijk, simpelweg omdat we op elkaar waren aangewezen, omdat het de meest vanzelfsprekende zaak ter wereld was. (-) Ik was trots op zijn wilde dadendrang en op zijn ontembare ongehoorzaamheid, ik was bovenal trots op hem omdat hij zich aan niemand iets gelegen liet liggen.” (blz 15).

Ze groeiden samen op in het Franse dorpje Brouilly, waar Margot’s Nederlandse hippiemoeder destijds toevallig was terecht gekomen en besloten had om juist daar haar voorgoed haar tenten op te slaan, en voor Margot werd Christophe een vanzelfsprekende aanwezigheid in haar leven, ook nadat hun wegen zich gescheiden hadden: Margot ging daarna samen met haar echtgenoot Michel over de wereld zwerven en Christophe werd in Frankrijk beroemd filmacteur – desondanks bleef haar tegenpool Christophe een onmisbare schakel in Margot’s leven, een persoon die niet uit haar leven was te denken, inderdaad dus was: de persoon die zij nooit niet gekend heeft.

De fascinatie van Margot voor de flamboyante, tegendraadse, temperamentvolle, op shockeren uitzijnde Christophe vind ik begrijpelijk: hij is een paradijsvogel tussen het mussengrauw, kwetsbaar ook, iemand die je kan liefhebben of haten, een tussenweg lijkt niet mogelijk, maar daar tegenover is wat minder aannemelijk dat Christophe net zulke sterke gevoelens heeft voor de verteller en ikpersoon van het boek: Margot. Zij is toch wat al te braaf en kleurloos. Hij zal haar graag gemogen hebben, al was het maar vanwege het gedeelde verleden in hun jeugd, maar de sterke gevoelens van Margot voor hem zullen zeker niet zo sterk beantwoord zijn geweest.

Christophe is dus ten langen leste, lijkt het, definitief ontspoord, iets dat zich al door middel van vorige provocerende excessen al min of meer had aangekondigd, en nu heeft hij buiten zichzelf van machteloze woede en walging in een café een toevallig aanwezige bezoeker zeer zwaar mishandeld, en vervolgens de hand aan zichzelf geslagen en zijn polsen doorgesneden. Christophe was in de jaren na de plotselinge en onzinnige dood van zijn idealistische boezemvriend en huisgenoot Sasja – de persoon die beweerde dat er geen wetten waren, waaraan niets of niemand zich kon onttrekken – en met wie hij verhitte fundamentele filosofische discussies op en over leven en dood voerde, cynisch, onverschillig geworden, het leven gaan verachten en voor zijn gemiddelde medemens nog slechts walging gaan voelen, en er geen enkele moeite voor doet om deze destructieve gevoelens te onderdrukken: sarren en provoceren is zijn tweede natuur geworden.

Na de zelfmoordpoging ligt Christophe (het was hem dus inderdaad) levend maar buiten westen in psychiatrisch ziekenhuis Saint-Anne in Parijs. Margot heeft hem herkend als de filmacteur Dralas. Herkenning is niet voldoende voor Margot, want hiermee is haar taak nog lang niet volbracht. De beste brave, toegewijde Margot, ze zal ervoor zorgen dat hij weer bij zijn positieven komt, niet alleen dat, maar ook dat Christophe voorgoed uit de negatieve spiraal van cynisme en walging zal kunnen ontsnappen en weer in staat zal zijn om zin te kunnen geven aan het leven. Die pogingen falen vervolgens dus kansloos. Of het nou aan zijn ziekbed door Margot vertelde gemeenschappelijke herinneringen uit hun jeugd zijn, of, om ontboezemingen en gedachten gaat die ze nog aan niemand eerder heeft verteld: Christophe is en blijft buiten westen, en blijft zwijgen als het graf.

Het gevoel van machteloosheid wordt steeds groter. Geen enkele traditionele methode om Christophe tot leven te wekken blijkt te werken. Voor een perfectioniste als Margot onverteerbaar en door de hierdoor ontstane spanning wordt ze volstrekt ongenietbaar voor haar omgeving, waarmee ze toch al op voet van oorlog staat. In het kleine Parijse appartement van Christophe dat vervuild en verwaarloosd is en waar ze gedrieën verblijven, is het niet om uit te houden in deze zomerhitte, en dan zit ze ook nog eens opgescheept met het onwillig gezelschap van haar dwarse, puberende, stiefdochter Liza en haar dementerende en incontinent geworden en nu dus extra kwetsbare schoonmoeder Sophia. Deze situatie wordt bijzonder beklemmend weergegeven. Een kleine ruimte, stikheet, en dan opgezadeld met mensen die niet met je mee willen denken, en die je liever vandaag dan morgen ziet gaan, en dan ook nog eens bezig met een heilloze missie om Christophe weer tot leven te brengen. Je ziet het gewoon voor je, je kunt het bijna ruiken. Het leidt alles tot niets en de gedesillusioneerde conclusie van Margot luidt dan ook:

“Het had geen zin om nog langer in Parijs te blijven. Liza en Sophia hadden lang genoeg in mijn maalstroom opgesloten gezeten. Lang genoeg was lang genoeg. We gingen naar huis. De volgende ochtend zou ik ook Jean-Jacques den dokter Thibault op de hoogte stellen van mijn vertrek. ‘Het is is zoals het is, Belhadi, het zal met jou en met Christophe aflopen zoals het zal aflopen…ìk heb het in ieder geval niet in me om daar iets aan te veranderen.’” (blz. 256)

Juist wanneer ze zichzelf op dat moment ontslaat van de verplichting, van de druk ook om zich als eerst verantwoordelijke te bekommeren om het lot van Christophe, om de reden van zijn ontsporing te achterhalen, om zijn genezing te bespoedigen, en dus om de strak gehouden teugels eindelijk eens te laten vieren, gebeurt er iets bijzonders: door middel van verbeeldingsflitsen (die enkele keren ingeleid worden met de welhaast bezwerende woorden: ..en ik zag nog veel meer…alles tegelijk, verweven en toch zo helder als glas – blz. 287) die haar beelden en verhalen laten zien van de haar direct omringende personen, vooral Christophe natuurlijk, en die veel meer nog waarheden, essenties bevatten van deze personen dan ze uit de “gewone” werkelijkheid kan destilleren, de beelden zijn zo intens en indringend dat Margot zich na afloop van deze “visioenen” er gegeneerd bij voelt om zo diep doorgedrongen te zijn in hun privé-leven zonder dat zij daar zelf weet van hadden. (Die dromen, beelden komen een aantal keren voor en hebben betrekking op Sophia en haar gevoel voor haar omgekomen zonen en haar wanhopige leven daarna, op de dood van wereldverbeteraar Sasja, op hoe Christophe zijn stalkster Nathalie Dufregne in Arizona voorgoed zou laten verdwijnen, op Liza die de masturberende zwarte werkster ontdekt in de heimelijk door Michel aangehouden woning in Parijs, nog eens op Liza en haar rol in de affaire tussen de naakte Jennifer en Christophe bij de buren op het gazon, de ontmoeting tussen Christophe en buurman Nico en hun discussie over waarden, familie en geluk). De droom blijkt sowieso in één geval niet te kloppen, dat wil zeggen niet te stroken met de objectieve waarheid: stalkster Nathalie blijkt niet te zijn overleden, maar is achtergebleven in Amerika. Ze stuurt Christophe een kaart met daarop de tekst: De ban is gebroken. Ik heb overal spijt van. Mijn toekomst ligt niet in Parijs maar hier. Het ga je goed. Nathalie.”

De snelkookpan van de zich opeenstapelende gebeurtenissen (met name in haar hoofd) in Parijs werkt als een bevrijding voor Margot, althans dat maakt ze zichzelf wijs in haar euforie na het doormaken van die inzicht verschaffende visioenen, droombeelden, die als een catharsis voor haar vastlopende leven zijn:

“Ik had mezelf geleerd om de teugels nooit meer uithanden te geven. Ook mijn ban was hier in Parijs gebroken. Of het nou door de aanhoudende hitte was gekomen, of door Christophes aanstootgevende onbeweeglijkheid, mijn verbeelding had zich aangesproken gevoeld en was in beweging gekomen…was op drift geraakt…had een hoge vlucht genomen en me bevrijd uit mijn zelfopgelegde ballingschap. Nathalie Dufrègne, Auguste Renoir, Sophia, Liza, ik…”. (blz 402).

De stress en de hitte hebben haar bevattelijk gemaakt voor de werkelijkheid van het irrationele en in haar slipstream volgen dus ook de mensen uit haar directe omgeving. En nu is ook Christophe aan de beurt om verlost te worden van zijn cynisme en haat tegen de wereld, waarom niet!

Christophe is in de jaren na de dood van zijn vriend Sasja geworden tot een cynicus, tot iemand die de wereld veracht en met name een grondige hekel heeft gekregen aan wereldverbeteraars. Na Sasja’s dood heeft hij getracht diens ideeën zich eigen te maken (die van graaf Koetoezov, Sasja’s alter ego), om Sasja niet te vergeten, maar het lukte hem niet, hij kon slechts doen “alsof”. Doen alsof was ook de manier waarop hij – beroemd filmacteur – speelde, een kunstje dus, met oprechtheid had het allemaal niets te maken. En idealisten kon hij wel schieten:

Arrogant en ijdel was de zelfgenoegzame die niet alleen de waarheid in pacht meende te hebben maar deze ook nog zo nodig aan de grote klok moest hangen. Sasja was een clown…een nog grotere clown, een opgefokte malloot die niet eens in staat was de leegte in zijn eigen kop te vullen. Hij had met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd geslagen, drie keer. Leeg. Leeg. Leeg. (blz 251 Christophe bij de Mirski’s).

En ook de anderen die op deze manier later zo de idealistische clown uithangen net zoals Sasja dat eerder deed: Margot’s buurman Nico, die hij probeert af te straffen door diens vrouw voor een buitenechtelijke relatie in te palmen, en Mohammed Ali waarover Christophe in de slotpagina’s van het boek vertelt is ook een clown en een idealist die kan rekenen op zijn walging en weerzin. Voor Christophe bestaat er slechts leegte.

Christophe ontwaakt onverwacht uit zijn lichamelijke conversie, en ontsnapt uit het psychiatrisch ziekenhuis. Fysiek niet in staat tot enige inspanning, strompelt hij toch met de verbanden nog om zijn gekwetste polsen door Parijs – als Lazarus, of misschien wel als Jezus na zijn kruisiging opgestaan uit de dood (interessant die analogie met Christus! Ook Christus was geliefd hoewel hij een zonderling was, en kwam als verlosser naar de aarde om de mensen van hun zonden te bevrijden, te louteren dus en te bevrijden. Precies wat ook bij Christophe gebeurt: door zijn lijdensweg, wordt de ban gebroken bij Margot, Liza en Sophia ze worden in feite opnieuw geboren als mens! Dit verklaart de slotscène misschien daarom dan ook beter….) – terug naar zijn woning waar hem het gezelschap wacht van de drie dames Liza, Margot en Sophia.

Christophe is niet meer te redden, de door hem ervaren leegte is zo fundamenteel dat bij hem geen sprake meer kan zijn, zoals wel bij Margot en de anderen, van het breken van wat voor ban dan ook. De enige reden van zijn thuiskomst is om het werk nu af te maken en hem bij het doorsnijden van zijn polsen in het café eerder niet direct lukte. Een plan dat hij na een praatje met de dames uitvoert: vanaf zijn eigen flat springt hij zich te pletter.

Het boek eindigt raar en onbevredigend (of misschien ben ik teveel een droogstoppel om het te begrijpen): Liza, Margot en Sophia zien hem door het appartement rennen en van het balkon springen, en staan aan de grond genageld maar zien dat hij niet te pletter valt maar juist weer opdook en wegvloog. Gedrieën vormden zij “een aan de grond genagelde driehoek van ongeremde en zuivere verbeeldingskracht” die Christophe zagen wegzwemvliegen, met armbewegingen van de vlinderslag en af en toe schoolslagbewegingen van zijn benen (moeten Christophes opstijging soms zien als analogie van Christus’ hemelvaart?). Merkwaardig! De persoon om wie in dit boek alles draait is eindelijk bij zijn positieven gekomen. De verteller van het verhaal en haar direct omringenden hebben na moeilijke dagen in een zinderend heet Parijs vol met directe persoonlijke confrontaties een persoonlijke catharsis doorgemaakt, hebben bannen gebroken, zoals het in het boek heet, en lijken het leven weer met nieuwe moed aan te kunnen, maar juist Christophe, hij die alles en iedereen in de schaduw stelt, is niet bevattelijk voor wat voor vorm van loutering dan ook:

“Hòòr je dat, Margot! loeide Christophe en ik beaamde aan de andere kant van de muur, aan de andere kant van de wereld, in het heden, dat ik had gehoord wat Sasja beweerde. “We kunnen een nieuw mens worden! En ik weet precies wanneer! Met Sint-Juttemis…met Sint-Juttemis zal zich dat wonder, die metamorfose voltrekken!” (Christophe tien jaar eerder tegen Margot, blz 60)

Voor Christophe was het te laat. En hij springt dus van het balkon. Maar de drie dames zien hem na de sprong weer opveren uit de diepte en vrolijk wegzwemmen in de lucht. Dat merkwaardige einde dus. Welk doel dient dit? Christophe is alles zat en wil gewoon dood, laat hem lekker, zou je zeggen. Waarom die”driehoek van zuivere verbeeldingskracht”? En waarom met zijn drieën, Margot was toch degene bij wie eerder al die tot loutering leidende droombeelden ontstonden?

Misschien om hiermee beeldend duidelijk te maken dat met de dood van Christophe, hij niet vergeten zal zijn, maar dat hij zal voortleven in de verbeelding en in de herinnering van zijn (naaste) naasten, van de mensen die van hem gehouden hebben?

Of moeten we hier meer denken aan de verbeelding zoals die eerder in het boek is beschreven: “de zich aangesproken gevoelde verbeelding … die in beweging was gekomen en op drift geraakt en hen had bevrijd uit een zelfopgelegd ballingschap“ en we hier tot actie zien overgaan?

Ik ben er nog niet helemaal uit, uit dit raadselachtige slot. “Een driehoek van zuivere verbeeldingskracht”. Die sereniteit, rust en beheersing die deze formulering suggereert is niet het eerste wat je van deze toch behoorlijk labiele dames verwacht, wanneer ze er getuige van zijn dat hun dierbare Christophe zelfmoord pleegt en van de flat springt. Paniek, angst, chaos, loeiende sirenes, geschreeuw, gejank etc. dat komt toch eerder bij je op bij zo’n incident, en dus niet drie aan de grond genagelde dames die zo’n rare, wereldvreemde driehoek van ongeremde en zuivere verbeeldingskracht vormen.

Een ongeloofwaardig slot van een verder, schitterend boek. De karakters komen zo prachtig en geloofwaardig tot leven, zoals je niet vaak tegenkomt in moderne Nederlandse romans. Christophe, Liza, Sophia, Sasja, Jennifer en Nico, Michel, Maurice Dutoît en Margot zelf ook, het zijn allemaal round characters, die je gewoon vòòr je ziet en regelrecht uit het werkelijke leven lijken weggelopen.

De spanning in het boek is voelbaar van begin tot het einde. Het eerste deel is een overspannen speurtocht van Margot in het smoorhete Parijs om te achterhalen welke oorzaken hebben geleid tot Christophes verval, in de (ijdele) hoop daarbij ook op een “medicijn”te stuiten dat hem weer tot leven kan wekken. Op haar zoektocht komen er steeds nieuwe feiten, nieuwe openbaringen naar buiten die Margot de illusie geven dat ze op deze manier, door te onderzoeken, te analyseren dichter bij Christophe kan komen en dichter bij zijn genezing. Ze blijkt uiteindelijk echter vast te lopen, omdat geen enkele methode blijk te werken en Christophe zich hardnekkig blijft hullen in zijn conversiesyndroom.

Op het moment dat ze de handdoek in de ring wil gooien, en gedesillusioneerd terug wil keren naar Nederland en haar onderzoek dus lijkt dood te bloeden, wordt er in het verhaal een nieuw spanningselement geweven, een element toegevoegd dat het verhaal van een nieuwe lading en spanning voorziet en daarmee ook de lezer voorziet van nieuwe energie. Dit element heeft te maken met de Michel, de echtgenoot van Margot. Diens dochter Liza, Margot’s stiefdochter is er in Parijs achter gekomen dat Michel zonder medeweten van Margot hun oude woning in Parijs heeft aangehouden. Deze woning staat niet leeg, maar is volledig ingericht, en Liza heeft er binnen een negerin gezien die meezong met in het huis afgespeelde muziek en zich daarna bevredigde op bed. Wie is deze persoon? De werkster van Michel, of misschien wel zijn maîtresse?

De drie dames besluiten om na het vastlopen van Margot’s onderzoek, hun terugreis naar Nederland uit te stellen en te verkassen naar Michel’s woning om hem daar op heterdaad te betrappen! De schoft! Het leuke nu, of het verneukeratieve is dat deze nieuwe verhaallijn en de spanning die daarmee in het verhaal wordt opgeroepen achteraf bewust misleidend blijkt te zijn geweest en het slechts een schakeltje vormt in het grote, “echte”verhaal rond Christophe. Aan het einde van het boek is namelijk helemaal niet duidelijk hoe deze verhaallijn is afgelopen. Hoe reageerde Michel? Wat waren zijn beweegredenen? Was de donkere vrouw zijn werkster of toch zijn vriendin? Wat zijn de consequenties voor de relatie tussen Margot en Michel. Die informatie wordt door de auteur niet verschaft, want kennelijk is dat niet waar het hier in dit boek om gaat en is het dus niet belangrijk.

Alsof de personages het zelf ook doorhebben dat ze op dat moment niet in het koele, comfortabele, van alle gemakken voorziene huis van Michel mogen zijn, verkassen de drie dames op dringend verzoek van Sophia daarop vrijwel direct weer naar kleine, zinderend hete kot van Christophe. Daar horen ze nu te zijn, nu Christophe buiten westen in het ziekenhuis ligt. Snel daarop krijgt het verhaal nieuwe power door de dromen, de visioenen, de werkelijk prachtig neergezette, kristalheldere verhalen van Margo’s verbeeldingskracht, die haar zoektocht naar Christophe van nieuwe impulsen voorziet. Zo word je als lezer door de auteur meegenomen naar het einde van het verhaal. Aan dit einde van het verhaal, wanneer Christophe tot aanvankelijke euforie van Margot (alles lijkt weer mogelijk) ontwaakt is uit zijn slaap, naar zijn flat wankelt en ondanks al haar inspanningen, haar wil om zijn lot ten gunste te keren en haar onbaatzuchtige liefde voor hem, blijkt Christophe al zo onbereikbaar te zijn, dat hij met geen mogelijkheid meer te redden is. De zelfverkozen dood is daarom de voor Christophe de enige logische uitweg.

Prachtig boek: 8,5.

maart 29, 2008

Nieuwe aanwinsten

Ingedeeld onder: Uncategorized — varlam @ 9:37 am
Tags: ,

nieuwe-boeken2.jpg

De Goddelijke Komedie in de prozavertaling van de Dante kenner Frans van Dooren (1934-2005) kocht ik na lezing van Möring’s Dis. Dis werd gemodelleerd naar de Goddelijke Komedie, maar is helaas grotendeels een ongenietbare mislukking. Om er toch iets goeds uit te peuren heb ik het originele werk van Dante besteld dat nog steeds vaak genoemd wordt als inspiratiebron en klassiek meesterwerk, en wordt het dus tijd om het eens te lezen. Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder van Cyrille Offermans. Doorgaans ben ik niet gillend enthousiast over intieme ego-documenten van schrijvers, zoals bijvoorbeeld ook niet over Schaduwkind van P.F. Thomése. Maar nu ben ik eigenlijk wel benieuwd hoe deze zwaar gesubsidieerde essayist het er heeft afgebracht. De Vlieger van Maarten ‘t Hart is weer iets heel anders natuurlijk. Het stond me niet bij dat ik deze roman al had gelezen. Hij komt uit 1998, uit de informatie bij Bol.com (de zeer goede service biedende internetboekhandelaar, zeker nu met de sectie tweedehands boeken) dacht ik eerlijk gezegd dat het een recenter boek van hem was. ‘t Hart heeft geheel andere opvattingen over literatuur dan Offermans en de Raster-groep waartoe behalve Offermans ook Vogelaar behoort. Toen ‘t Hart begin jaren tachtig vorige eeuw gebrouilleerd raakte met Hans Bakx, een loopjongen van deze groep met wie hij eerder hartelijk bevriend geweest was, leidde dat toen tot een literaire afrekening middels een sleutelroman: Het uur tussen hond en wolf. Bakx antwoordde hierop met het schitterend geschreven, maar giftige: Midas’ tranen. Dit boek bleek later echter een gezamelijke inspanning te zijn van de slecht verkopende, doorgaans slechts wartaal uitslaande, gefrustreerde schrijvers uit de Raster-groep en dus ook van Offermans om de succesvolle Maarten ‘t Hart eens lekker onderuit te trappen. Een vuig doch superieur boekje dus, maar het moge duidelijk zijn dat mijn sympathie ligt bij Maarten ‘t Hart. Istanbul van Orhan Pamuk. Sneeuw smaakt naar meer en Istanbul was het boek dat hem de Nobelprijs voor de literatuur opleverde. Van Japanse schrijvers ken ik niks, heb daarvan ook vrijwel niets gelezen. Seventeen & Homo sexualis van Kenzaburo Oë, tweedehands gekocht via Bol.com op advies van mijn vriendin, moet daar verandering in brengen. Twee novelles van ook een Nobelprijswinnaar (1994) uit een periode dat hij nog heftige boeken schreef, dus nog voor de geboorte van zijn autistische zoon die Oë’s leven en literaire werk drastisch zou veranderen. Geen Zee maar water van Gijs IJlander. Een fabelachtig uitzicht vond ik een onverwacht mooi boek, na het jaren voor me uitgeschoven te hebben. Je weet wel dat originele boek dat verteld wordt vanuit het perspectief van de opgezette eekhoorn Knabbel. Ik ben wel benieuwd wat voor boeken IJlander zeventien jaar later maakt. Fundamental Chess Endings van Karsten Müller en Frank Lamprecht, omdat ik het serieuze voornemen heb om beter te gaan schaken en eens te kijken hoe ver ik dan kan komen. Elementaire eindspelletjes moet je dan gewoon kènnen. Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren van Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra. Het koningshuis heeft wel mijn belangstelling. Het is natuurlijk een overbodig, geldverslindend instituut dat direct afgeschaft zou kunnen worden. Maar aan de andere kant is het ook amusant te zien hoeveel nonvaleurs de Oranjes in de loop der tijden hebben geproduceerd, en hoe volstrekt ongeschikt zij waren voor het onvermijdelijke ambt van koning. Dit boek zou een pijnlijk inkijkje daarin bieden.

maart 25, 2008

Zomerhitte. Een rare film.

Ingedeeld onder: Uncategorized — varlam @ 12:22 am
Tags: , ,


zomerhitte_227747e.jpg

 

De fotograaf Bob (Waldemar Torenstra) is op Texel om een reportage van het natuurschoon op het eilandje te maken voor een tijdschrift (The National Geographic uiteraard, voor minder doen we het niet). Bob heeft rust nodig, nadat hij een jaartje geleden een traumatische ervaring opliep toen zijn toenmalige vriendin in Afghanistan door een granaat van een moslimstrijder cq. geitenneuker om het leven kwam. Bob stond erbij, keek ernaar, en drukte vooral af toen het gebeurde. Maar Bob mankeert merkwaardig genoeg niets, hoewel hij toen achter een rots dicht tegen zijn vriendin aanstond op het moment van de fatale explosie. Maar goed, het zal wel.

Op Texel maakt Bob kennis met een jonge vrouw: Kathleen. Zij wordt gespeeld door iemand met het fysiek dat Wolkers niet precies voor ogen gehad zal hebben toen hij boekenweekgeschenkje in elkaar aan het flansen was. Dus geen rubensachtige vormen, en dus geen dikke reet en geen grote tieten en dus geen vrouw overeenkomstig het primitieve ideaalbeeld van de ouwe Wolkers. Kortom: Sophie Hilbrand.

zomerhitte-wolkers.jpg

In het begin doen de twee nog wat stug en geheimzinnig tegen elkaar, maar even later zien we Kathleen dan toch staande voor Bob (glaasje witte wijn bij de hand, onderuitgezakt in een strandstoel) masturberen, en vingerend komt ze heerlijk klaar. Ja hoor, we zijn weer thuis en Bob hoeft er niet eens voor te betalen!

Kathleen verdient deze zomer wat bij in een dancing en maakt daarnaast ook deel uit van een klein select groepje rond de crimineel van het eiland, bijgenaamd De Mummie, voor hem voert ze net als bij Bob ook de masturbatie-act uit, maar dan wel tegen betaling van 500 harde euri, per keer. Naïef als Kathleen is, heeft ze helemaal niet in de gaten dat hij zich met criminele zaken bezighoudt! Nee, echt niet!

In zijn drang om Kathleen te veroveren begint Bob haar gangen te volgen en krijgt hij lucht van de criminele activiteiten die ontplooid worden door het groepje. Bob raakt erbij betrokken wanneer hij verscholen achter de duinen getuige is van een drugstransactie en ook ziet waar de ontvangen drugs vervolgens verstopt worden. Hier besluit Bob dat het tijd is om actief op te treden. Na gedoe waarbij hij de drugs zelf op een andere plaats verstopt en vervolgens de bende achter zich aan krijgt, weet hij de groep toch deels van zich af te schudden door een criminele handlanger te doden middels het hard laten terugzwiepen van een niet eens zo dikke boomtak! SuperBob! Op miraculeuze wijze ontdoet hij zich daarna ook van het laatst overgebleven bendelid. Dit gebeurt bij het plasje in de duinen waar hij de met een tak gedode handlanger eerder samen met de zakken drugs heeft gedumpt. Maar wat blijkt nu: de zakken zijn gejat en Bob’s dagen lijken geteld wanneer er op dat moment een geladen pistool op hem gericht wordt! Gelukkig heeft Kathleen toevallig ook nog een pistool in haar broekzak en daarmee wordt ook het laatste bendelid (Cees Geel) uitgeschakeld.

Al dat gedoe met die drugs! Gek word je ervan. We leven in 2008 ja! Dan gaan we toch niet meer zo’n gedateerde film maken met dit soort zouteloze, eendimensionale bad guys die hun geld verdienen met het handelen in drugs? Dat past echt niet meer bij een hedendaagse film. Het is derderangs, onorigineel, oubollig, karakterloos, dom en voorspelbaar. Dat alles is eerder, beter gedaan en vooral overtuigender. Had toch wat meer geïnvesteerd in de opbouw van de erotische spanning tussen Bob en Kathleen, had de karakters wat beter en dieper uitgewerkt, had de dialogen van wat meer smaak en inhoud voorzien etc etc. Nu lijkt het alsof we soms naar de conversatie van een stel Neanderthalers zitten te kijken die niet verder komen dan het uitstoten van wat primitieve klanken.

Er zitten nog meer rare dingen in de film. Zo wordt op een bepaald moment op het journaal (dus een directe uitzending waarnaar Bob en Kathleen afzonderlijk maar beiden via een computerbeeldscherm kijken!) bekend gemaakt dat Bob een zeer belangrijke fotoprijs in de wacht heeft gesleept met de foto van zijn vriendin juist op het moment dat zij gedood wordt door Afghaanse granaatscherven. Iets later vertelt Bob openhartig, en met hese stem tegen Kathleen dat hij nog met niemand eerder over de dood van zijn vriendin heeft gesproken! Nu ja! Behalve dan met de jury van deze belangrijke fotoprijs kennelijk.

Wat een gemiste kans is deze film! Van Monique van der Ven had ik eerlijk gezegd meer verwacht en gehoopt dan een film die opgetuigd is met de cliché’s van een derderangs thriller. De grootste fout echter die ze gemaakt heeft is het kiezen van het halfgare gratis boekje Zomerhitte van Jan Wolkers voor een film. Begrijpelijk dat ze Wolkers een persoonlijke eer wilde bewijzen door een film aan hem op te dragen, maar Wolkers was ten tijde van het schrijven van deze novelle inmiddels literair zo krachteloos geworden, dat Monique daarvoor beter een ander boek had kunnen uitkiezen.

Wanneer de film eindigt en de aftiteling begint te lopen, wordt de titelsong “When summer ends” van dreinende tuinkabouter VanVelzen gestart. Een prima keus! Dit vervelende liedje is precies even eendimensionaal en voorspelbaar als de film zelf, en daarbij ook nog eens ontzettend zeikerig en op je zenuwen werkend. Reden te meer om de cinema daarop met gezwinde spoed te verlaten. Dat deed ik dan ook maar (waardering: 5)

maart 24, 2008

Sneeuw – Orhan Pamuk

Ingedeeld onder: Boeken — varlam @ 4:14 pm
Tags: , , ,

Tweede paasdag 2008 in Rotterdam

24 maart 2008, witte tweede paasdag in een typische Rotterdamse renovatiewijk, gedomineerd door stug doorfokkend Turks proletariaat,  onder hen, wie weet,  misschien ook wel enigen afkomstig uit de deprimerende stad Kars.
Toeval of niet: zojuist het boek Sneeuw van Orhan Pamuk uitgelezen, op deze witte tweede paasdag in Rotterdam. In het boek Sneeuw valt de sneeuw in het Turkse stadje Kars  (130 duizend inwoners, vergelijkbaar qua grootte met Nederlandse steden als Breda, Arnhem, Enschede) gedurende het korte verblijf van Ka aldaar, vrijwel onafgebroken met dikke vlokken uit de hemel. Sneeuw zoals het vandaag eventjes in Rotterdam neerdaalde, nat weliswaar, maar evengoed sneeuw. En beter een witte Pasen dan helemaal geen sneeuw gedurende de feestdagen.

Sneeuw is een roman, en een beschrijving van het enkele dagen durende verblijf van de dichter Ka in de Turkse stad Kars. (Het Turkse woord voor sneeuw is overigens Kar. Dus drie cruciale woorden van het boek zijn: Ka (de dichter), Kar (sneeuw), Kars (de stad.)  Ka is een Turk die na een aantal jaren van zelfverkozen ballingschap in Duitsland terugkeert naar Turkije om er in Kars verslag te doen van de aanstaande gemeenteverkiezingen (waarbij de islamitische volkspartij dik op winst staat in de polls) en van het grote aantal zelfdodingen onder jonge islamitische vrouwen uit Kars. Maar minstens even belangrijke reden voor zijn komst blijkt de mooie vrouw Ipek te zijn, de ex-vrouw van zijn oude kennis Muhtar (nu leider van de islamitische volkspartij), op wie hij in een mum van tijd tot over zijn oren verliefd op wordt en in een korte doch zeer heftige romance belandt.

Aanjager van het verhaal is de zogenaamde “theatercoup” die kort na aankomst van Ka in Kars plaatsvindt, en wordt gepleegd door een andere bekende van Ka: de acteur Sunay Zaim, die met militaire steun de politieke macht in het stadje Kars weet over te nemen. De coup is een statement tegen de toenemende islamitische fundamentalisme en kan niet zomaar neergeslagen worden door het centrale gezag in Ankara omdat de toegangswegen naar Kars door de alsmaar vallende sneeuw onbereikbaar zijn geworden en Kars daarmee dus afgesloten is van de buitenwereld.
Ka raakt vervolgens nauw betrokken bij de daaropvolgende gebeurtenissen en speelt hierin ook zelf een cruciale rol.
Parallel aan deze (politieke) verhaallijn loopt ook Ka’s romance met Ipek. Deze verliefdheid op de schoonheid Ipek brengt hem in een toestand van ultiem geluk. En in dit gelukzalig decor, met buiten de alsmaar vallende sneeuw, en zijn stemming nog verhoogd doordat hij zich geregeld vol laat lopen met de raki, slaagt hij er eindelijk weer in gedichten te schrijven. Zijn writer’s block dat vier jaar geduurd heeft, kan hij door deze staat van geluk achter zich laten en gedurende de korte periode in Ka raakt hij zo geïnspireerd dat er 19 gedichten tot hem komen, die hij als goddelijke ingevingen direct en achter elkaar opschrijft in zijn groene notitieboekje. Dit groene boekje raakt hij later kwijt. Vermoedelijk werd het gestolen bij de aanslag op Ka, vier jaar later in Duitsland. De lezer moet het daardoor in het boek alleen met de titels van de goddelijke gedichten doen. De gedichten zelf worden hem onthouden (helaas). Het eerste gedicht dat Ka op het toneel voordroeg tijdens de voorstelling waarbij Sunay de macht greep, werd op televisie uitgezonden en de opnames daarvan waren bewaard gebleven. Toch wordt de tekst van ook dit gedicht niet in het verhaal vermeld. Dat is jammer en brengt je onwillekeurig op de gedachte dat Pamuk er zich hier wat gemakkelijk van afmaakt, in dit overigens grootse en complexe boek.

De verwikkelingen rond de theatercoup door Sunay Zaim die na enkele dagen op het punt staat om neergeslagen te worden nu Kars weer bereikbaar is geworden, en de romance van Ka met Ipek die zijn liefde beantwoordt en met hem mee wil gaan naar Frankfurt in Duitsland om hun leven te delen, culmineren langzaam maar zeker in een spectaculaire climax.

In deze climax spelen niet alleen Ka en Ipek een rol, maar zijn ook Indigo, de principiële, charismatische leider (en tevens Don Juan) van het fundamentalische verzet tegen de coup in Kars en zijn vriendin Kadife, de even rechtlijnige zuster van Ipek van belang. Indigo, gevangen genomen door de coupplegers, wordt vrijgelaten onder de voorwaarde dat Kadife tijdens de afsluitende theatervoorstelling van Sunay en zijn gezelschap bij wijze van symbolisch gebaar haar sluier afwerpt, als teken van bevrijding voor de vrouw binnen de islam.
De verwikkelingen in dit dramatische slotakkoord bepalen uiteindelijk de toekomst van Ka, en vooral die van Ka in en zijn relatie met Ipek. Die toekomst is er niet, en alleen wordt Ka op trein gezet, terug naar Erzurum en van daaruit dus terug naar Duitsland. Alleen, dus zonder Ipek. Dit gegeven zal de rest van zijn leven bepalen, totdat hij vier later vermoord wordt door een fundamentalist die wraak neemt voor de moord destijds op Indigo, en de twijfelachtige rol van de jaloerse Ka daarin.

Het verhaal wordt verteld door een Orhan, een schrijver (waarschijnlijk dus Pamuk gewoon zelf) die bevriend was met de dichter Ka. Het grootste gedeelte van het boek wordt vanuit het perspectief van Ka verteld. Tot diens dood. Daarna neemt Orhan het roer over, en vertelt hij het verhaal vanuit zijn perspectief, bij zijn naspeuringen, research en reconstructie van Ka’s verblijf in Kars. Hij gaat ook naar Kars toe om met de betrokken personen te praten en onderzoek te doen.

Sneeuw is een onderhoudend, mooi geconstrueerd, dik boek (468 bladzijden in de goedlopende Nederlandse vertaling van Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden) over de maatschappelijke spanningen in de stad Kars in Oost-Turkije. Er is dus sprake van een actueel thema: de toenemende spanning die het gevolg is van het opkomende fundamentalisme. Hij laat zijn hoofdpersoon Ka vrijuit stelling nemen en zich uitspreken tegen deze tendens, echter zonder in simplificaties te vervallen en zonder zijn politieke tegenstanders (die ook niet tot eendimensionale figuren zijn terug te brengen, neem alleen Indigo maar) te beledigen of zwart te maken. Daarnaast is Sneeuw natuurlijk op een ander, persoonlijk niveau een prachtig, ontroerend en invoelbaar verhaal over de wanhopige liefde tussen een man en een vrouw, die welhaast vanaf het begin gedoemd was te mislukken. Al was het alleen al vanwege de drang tot zelfdestructie van Ka.

Een zeer mooi gecomponeerd boek dus van deze Turkse schrijver, geschreven in een bijna 500 bladzijden lang vastgehouden koele, licht ironische stijl. Een 8 geef ik hem!

Kom daar maar eens om bij onze (Nederlandse) schrijvers! In korte tijd heb ik twee pillen weggewerkt: De Movo Tapes van A. F. Th. En Dis van Marcel Moring. De Movo Tapes is veel te lang en zwalkt zich stuurloos een weg naar het einde. De monotonie  van de dialogen hamert je voortdurend in je kop, en is er een van bluf en brallen in spetterende doch weinig oprecht overkomende volzinnen. En van die dialogen zijn er heel veel in dit boek, en wat ze met elkaar gemeen hebben is dat ze gezocht zijn en ik me echt niet kan voorstellen dat ze ooit zo in werkelijkheid zullen worden uitgesproken.  Ik vind dat storend. Of ze nou 16 zijn of 46 jaar oud zijn, boekhandelaar, cafébezoeker of leider van een supportersvereniging, ze praten allemaal in dezelfde gezwollen volzinnen, bedacht aan de schrijftafel van A. F. Th, groot schrijver te Adam. Wat een beproeving om dit te lezen. Een 4,5.
Met Dis had Moring waarschijnlijk een boek voor ogen dat een soort De Goddelijke komedie en Ulysses in het kwadraat moest worden. Maar dan beter. Dat is niet helemaal gelukt. En dat is ook meteen de makke van het boek. Onder de last van de loodzware pretenties van zijn auteur komt er in Dis bijzonder weinig tot leven. Er valt dus vrijwel niets te genieten, humor is volstrekt afwezig. Een kwelling. De eerste 200 bladzijden moet je gedisciplineerd doorploegen, daarna wordt het iets beter, maar het blijft onvoldoende: een 5-.

Volgende Pagina »

Blog op Wordpress.com.