De Goddelijke Komedie in de prozavertaling van de Dante kenner Frans van Dooren (1934-2005) kocht ik na lezing van Möring’s Dis. Dis werd gemodelleerd naar de Goddelijke Komedie, maar is helaas grotendeels een ongenietbare mislukking. Om er toch iets goeds uit te peuren heb ik het originele werk van Dante besteld dat nog steeds vaak genoemd wordt als inspiratiebron en klassiek meesterwerk, en wordt het dus tijd om het eens te lezen. Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder van Cyrille Offermans. Doorgaans ben ik niet gillend enthousiast over intieme ego-documenten van schrijvers, zoals bijvoorbeeld ook niet over Schaduwkind van P.F. Thomése. Maar nu ben ik eigenlijk wel benieuwd hoe deze zwaar gesubsidieerde essayist het er heeft afgebracht. De Vlieger van Maarten ‘t Hart is weer iets heel anders natuurlijk. Het stond me niet bij dat ik deze roman al had gelezen. Hij komt uit 1998, uit de informatie bij Bol.com (de zeer goede service biedende internetboekhandelaar, zeker nu met de sectie tweedehands boeken) dacht ik eerlijk gezegd dat het een recenter boek van hem was. ‘t Hart heeft geheel andere opvattingen over literatuur dan Offermans en de Raster-groep waartoe behalve Offermans ook Vogelaar behoort. Toen ‘t Hart begin jaren tachtig vorige eeuw gebrouilleerd raakte met Hans Bakx, een loopjongen van deze groep met wie hij eerder hartelijk bevriend geweest was, leidde dat toen tot een literaire afrekening middels een sleutelroman: Het uur tussen hond en wolf. Bakx antwoordde hierop met het schitterend geschreven, maar giftige: Midas’ tranen. Dit boek bleek later echter een gezamelijke inspanning te zijn van de slecht verkopende, doorgaans slechts wartaal uitslaande, gefrustreerde schrijvers uit de Raster-groep en dus ook van Offermans om de succesvolle Maarten ‘t Hart eens lekker onderuit te trappen. Een vuig doch superieur boekje dus, maar het moge duidelijk zijn dat mijn sympathie ligt bij Maarten ‘t Hart. Istanbul van Orhan Pamuk. Sneeuw smaakt naar meer en Istanbul was het boek dat hem de Nobelprijs voor de literatuur opleverde. Van Japanse schrijvers ken ik niks, heb daarvan ook vrijwel niets gelezen. Seventeen & Homo sexualis van Kenzaburo Oë, tweedehands gekocht via Bol.com op advies van mijn vriendin, moet daar verandering in brengen. Twee novelles van ook een Nobelprijswinnaar (1994) uit een periode dat hij nog heftige boeken schreef, dus nog voor de geboorte van zijn autistische zoon die Oë’s leven en literaire werk drastisch zou veranderen. Geen Zee maar water van Gijs IJlander. Een fabelachtig uitzicht vond ik een onverwacht mooi boek, na het jaren voor me uitgeschoven te hebben. Je weet wel dat originele boek dat verteld wordt vanuit het perspectief van de opgezette eekhoorn Knabbel. Ik ben wel benieuwd wat voor boeken IJlander zeventien jaar later maakt. Fundamental Chess Endings van Karsten Müller en Frank Lamprecht, omdat ik het serieuze voornemen heb om beter te gaan schaken en eens te kijken hoe ver ik dan kan komen. Elementaire eindspelletjes moet je dan gewoon kènnen. Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren van Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra. Het koningshuis heeft wel mijn belangstelling. Het is natuurlijk een overbodig, geldverslindend instituut dat direct afgeschaft zou kunnen worden. Maar aan de andere kant is het ook amusant te zien hoeveel nonvaleurs de Oranjes in de loop der tijden hebben geproduceerd, en hoe volstrekt ongeschikt zij waren voor het onvermijdelijke ambt van koning. Dit boek zou een pijnlijk inkijkje daarin bieden.
maart 29, 2008
maart 25, 2008
Zomerhitte. Een rare film.
De fotograaf Bob (Waldemar Torenstra) is op Texel om een reportage van het natuurschoon op het eilandje te maken voor een tijdschrift (The National Geographic uiteraard, voor minder doen we het niet). Bob heeft rust nodig, nadat hij een jaartje geleden een traumatische ervaring opliep toen zijn toenmalige vriendin in Afghanistan door een granaat van een moslimstrijder cq. geitenneuker om het leven kwam. Bob stond erbij, keek ernaar, en drukte vooral af toen het gebeurde. Maar Bob mankeert merkwaardig genoeg niets, hoewel hij toen achter een rots dicht tegen zijn vriendin aanstond op het moment van de fatale explosie. Maar goed, het zal wel.
Op Texel maakt Bob kennis met een jonge vrouw: Kathleen. Zij wordt gespeeld door iemand met het fysiek dat Wolkers niet precies voor ogen gehad zal hebben toen hij boekenweekgeschenkje in elkaar aan het flansen was. Dus geen rubensachtige vormen, en dus geen dikke reet en geen grote tieten en dus geen vrouw overeenkomstig het primitieve ideaalbeeld van de ouwe Wolkers. Kortom: Sophie Hilbrand.
In het begin doen de twee nog wat stug en geheimzinnig tegen elkaar, maar even later zien we Kathleen dan toch staande voor Bob (glaasje witte wijn bij de hand, onderuitgezakt in een strandstoel) masturberen, en vingerend komt ze heerlijk klaar. Ja hoor, we zijn weer thuis en Bob hoeft er niet eens voor te betalen!
Kathleen verdient deze zomer wat bij in een dancing en maakt daarnaast ook deel uit van een klein select groepje rond de crimineel van het eiland, bijgenaamd De Mummie, voor hem voert ze net als bij Bob ook de masturbatie-act uit, maar dan wel tegen betaling van 500 harde euri, per keer. Naïef als Kathleen is, heeft ze helemaal niet in de gaten dat hij zich met criminele zaken bezighoudt! Nee, echt niet!
In zijn drang om Kathleen te veroveren begint Bob haar gangen te volgen en krijgt hij lucht van de criminele activiteiten die ontplooid worden door het groepje. Bob raakt erbij betrokken wanneer hij verscholen achter de duinen getuige is van een drugstransactie en ook ziet waar de ontvangen drugs vervolgens verstopt worden. Hier besluit Bob dat het tijd is om actief op te treden. Na gedoe waarbij hij de drugs zelf op een andere plaats verstopt en vervolgens de bende achter zich aan krijgt, weet hij de groep toch deels van zich af te schudden door een criminele handlanger te doden middels het hard laten terugzwiepen van een niet eens zo dikke boomtak! SuperBob! Op miraculeuze wijze ontdoet hij zich daarna ook van het laatst overgebleven bendelid. Dit gebeurt bij het plasje in de duinen waar hij de met een tak gedode handlanger eerder samen met de zakken drugs heeft gedumpt. Maar wat blijkt nu: de zakken zijn gejat en Bob’s dagen lijken geteld wanneer er op dat moment een geladen pistool op hem gericht wordt! Gelukkig heeft Kathleen toevallig ook nog een pistool in haar broekzak en daarmee wordt ook het laatste bendelid (Cees Geel) uitgeschakeld.
Al dat gedoe met die drugs! Gek word je ervan. We leven in 2008 ja! Dan gaan we toch niet meer zo’n gedateerde film maken met dit soort zouteloze, eendimensionale bad guys die hun geld verdienen met het handelen in drugs? Dat past echt niet meer bij een hedendaagse film. Het is derderangs, onorigineel, oubollig, karakterloos, dom en voorspelbaar. Dat alles is eerder, beter gedaan en vooral overtuigender. Had toch wat meer geïnvesteerd in de opbouw van de erotische spanning tussen Bob en Kathleen, had de karakters wat beter en dieper uitgewerkt, had de dialogen van wat meer smaak en inhoud voorzien etc etc. Nu lijkt het alsof we soms naar de conversatie van een stel Neanderthalers zitten te kijken die niet verder komen dan het uitstoten van wat primitieve klanken.
Er zitten nog meer rare dingen in de film. Zo wordt op een bepaald moment op het journaal (dus een directe uitzending waarnaar Bob en Kathleen afzonderlijk maar beiden via een computerbeeldscherm kijken!) bekend gemaakt dat Bob een zeer belangrijke fotoprijs in de wacht heeft gesleept met de foto van zijn vriendin juist op het moment dat zij gedood wordt door Afghaanse granaatscherven. Iets later vertelt Bob openhartig, en met hese stem tegen Kathleen dat hij nog met niemand eerder over de dood van zijn vriendin heeft gesproken! Nu ja! Behalve dan met de jury van deze belangrijke fotoprijs kennelijk.
Wat een gemiste kans is deze film! Van Monique van der Ven had ik eerlijk gezegd meer verwacht en gehoopt dan een film die opgetuigd is met de cliché’s van een derderangs thriller. De grootste fout echter die ze gemaakt heeft is het kiezen van het halfgare gratis boekje Zomerhitte van Jan Wolkers voor een film. Begrijpelijk dat ze Wolkers een persoonlijke eer wilde bewijzen door een film aan hem op te dragen, maar Wolkers was ten tijde van het schrijven van deze novelle inmiddels literair zo krachteloos geworden, dat Monique daarvoor beter een ander boek had kunnen uitkiezen.
Wanneer de film eindigt en de aftiteling begint te lopen, wordt de titelsong “When summer ends” van dreinende tuinkabouter VanVelzen gestart. Een prima keus! Dit vervelende liedje is precies even eendimensionaal en voorspelbaar als de film zelf, en daarbij ook nog eens ontzettend zeikerig en op je zenuwen werkend. Reden te meer om de cinema daarop met gezwinde spoed te verlaten. Dat deed ik dan ook maar (waardering: 5)
maart 24, 2008
Sneeuw – Orhan Pamuk
24 maart 2008, witte tweede paasdag in een typische Rotterdamse renovatiewijk, gedomineerd door stug doorfokkend Turks proletariaat, onder hen, wie weet, misschien ook wel enigen afkomstig uit de deprimerende stad Kars.
Toeval of niet: zojuist het boek Sneeuw van Orhan Pamuk uitgelezen, op deze witte tweede paasdag in Rotterdam. In het boek Sneeuw valt de sneeuw in het Turkse stadje Kars (130 duizend inwoners, vergelijkbaar qua grootte met Nederlandse steden als Breda, Arnhem, Enschede) gedurende het korte verblijf van Ka aldaar, vrijwel onafgebroken met dikke vlokken uit de hemel. Sneeuw zoals het vandaag eventjes in Rotterdam neerdaalde, nat weliswaar, maar evengoed sneeuw. En beter een witte Pasen dan helemaal geen sneeuw gedurende de feestdagen.
Sneeuw is een roman, en een beschrijving van het enkele dagen durende verblijf van de dichter Ka in de Turkse stad Kars. (Het Turkse woord voor sneeuw is overigens Kar. Dus drie cruciale woorden van het boek zijn: Ka (de dichter), Kar (sneeuw), Kars (de stad.) Ka is een Turk die na een aantal jaren van zelfverkozen ballingschap in Duitsland terugkeert naar Turkije om er in Kars verslag te doen van de aanstaande gemeenteverkiezingen (waarbij de islamitische volkspartij dik op winst staat in de polls) en van het grote aantal zelfdodingen onder jonge islamitische vrouwen uit Kars. Maar minstens even belangrijke reden voor zijn komst blijkt de mooie vrouw Ipek te zijn, de ex-vrouw van zijn oude kennis Muhtar (nu leider van de islamitische volkspartij), op wie hij in een mum van tijd tot over zijn oren verliefd op wordt en in een korte doch zeer heftige romance belandt.
Aanjager van het verhaal is de zogenaamde “theatercoup” die kort na aankomst van Ka in Kars plaatsvindt, en wordt gepleegd door een andere bekende van Ka: de acteur Sunay Zaim, die met militaire steun de politieke macht in het stadje Kars weet over te nemen. De coup is een statement tegen de toenemende islamitische fundamentalisme en kan niet zomaar neergeslagen worden door het centrale gezag in Ankara omdat de toegangswegen naar Kars door de alsmaar vallende sneeuw onbereikbaar zijn geworden en Kars daarmee dus afgesloten is van de buitenwereld.
Ka raakt vervolgens nauw betrokken bij de daaropvolgende gebeurtenissen en speelt hierin ook zelf een cruciale rol.
Parallel aan deze (politieke) verhaallijn loopt ook Ka’s romance met Ipek. Deze verliefdheid op de schoonheid Ipek brengt hem in een toestand van ultiem geluk. En in dit gelukzalig decor, met buiten de alsmaar vallende sneeuw, en zijn stemming nog verhoogd doordat hij zich geregeld vol laat lopen met de raki, slaagt hij er eindelijk weer in gedichten te schrijven. Zijn writer’s block dat vier jaar geduurd heeft, kan hij door deze staat van geluk achter zich laten en gedurende de korte periode in Ka raakt hij zo geïnspireerd dat er 19 gedichten tot hem komen, die hij als goddelijke ingevingen direct en achter elkaar opschrijft in zijn groene notitieboekje. Dit groene boekje raakt hij later kwijt. Vermoedelijk werd het gestolen bij de aanslag op Ka, vier jaar later in Duitsland. De lezer moet het daardoor in het boek alleen met de titels van de goddelijke gedichten doen. De gedichten zelf worden hem onthouden (helaas). Het eerste gedicht dat Ka op het toneel voordroeg tijdens de voorstelling waarbij Sunay de macht greep, werd op televisie uitgezonden en de opnames daarvan waren bewaard gebleven. Toch wordt de tekst van ook dit gedicht niet in het verhaal vermeld. Dat is jammer en brengt je onwillekeurig op de gedachte dat Pamuk er zich hier wat gemakkelijk van afmaakt, in dit overigens grootse en complexe boek.
De verwikkelingen rond de theatercoup door Sunay Zaim die na enkele dagen op het punt staat om neergeslagen te worden nu Kars weer bereikbaar is geworden, en de romance van Ka met Ipek die zijn liefde beantwoordt en met hem mee wil gaan naar Frankfurt in Duitsland om hun leven te delen, culmineren langzaam maar zeker in een spectaculaire climax.
In deze climax spelen niet alleen Ka en Ipek een rol, maar zijn ook Indigo, de principiële, charismatische leider (en tevens Don Juan) van het fundamentalische verzet tegen de coup in Kars en zijn vriendin Kadife, de even rechtlijnige zuster van Ipek van belang. Indigo, gevangen genomen door de coupplegers, wordt vrijgelaten onder de voorwaarde dat Kadife tijdens de afsluitende theatervoorstelling van Sunay en zijn gezelschap bij wijze van symbolisch gebaar haar sluier afwerpt, als teken van bevrijding voor de vrouw binnen de islam.
De verwikkelingen in dit dramatische slotakkoord bepalen uiteindelijk de toekomst van Ka, en vooral die van Ka in en zijn relatie met Ipek. Die toekomst is er niet, en alleen wordt Ka op trein gezet, terug naar Erzurum en van daaruit dus terug naar Duitsland. Alleen, dus zonder Ipek. Dit gegeven zal de rest van zijn leven bepalen, totdat hij vier later vermoord wordt door een fundamentalist die wraak neemt voor de moord destijds op Indigo, en de twijfelachtige rol van de jaloerse Ka daarin.
Het verhaal wordt verteld door een Orhan, een schrijver (waarschijnlijk dus Pamuk gewoon zelf) die bevriend was met de dichter Ka. Het grootste gedeelte van het boek wordt vanuit het perspectief van Ka verteld. Tot diens dood. Daarna neemt Orhan het roer over, en vertelt hij het verhaal vanuit zijn perspectief, bij zijn naspeuringen, research en reconstructie van Ka’s verblijf in Kars. Hij gaat ook naar Kars toe om met de betrokken personen te praten en onderzoek te doen.
Sneeuw is een onderhoudend, mooi geconstrueerd, dik boek (468 bladzijden in de goedlopende Nederlandse vertaling van Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden) over de maatschappelijke spanningen in de stad Kars in Oost-Turkije. Er is dus sprake van een actueel thema: de toenemende spanning die het gevolg is van het opkomende fundamentalisme. Hij laat zijn hoofdpersoon Ka vrijuit stelling nemen en zich uitspreken tegen deze tendens, echter zonder in simplificaties te vervallen en zonder zijn politieke tegenstanders (die ook niet tot eendimensionale figuren zijn terug te brengen, neem alleen Indigo maar) te beledigen of zwart te maken. Daarnaast is Sneeuw natuurlijk op een ander, persoonlijk niveau een prachtig, ontroerend en invoelbaar verhaal over de wanhopige liefde tussen een man en een vrouw, die welhaast vanaf het begin gedoemd was te mislukken. Al was het alleen al vanwege de drang tot zelfdestructie van Ka.
Een zeer mooi gecomponeerd boek dus van deze Turkse schrijver, geschreven in een bijna 500 bladzijden lang vastgehouden koele, licht ironische stijl. Een 8 geef ik hem!
Kom daar maar eens om bij onze (Nederlandse) schrijvers! In korte tijd heb ik twee pillen weggewerkt: De Movo Tapes van A. F. Th. En Dis van Marcel Moring. De Movo Tapes is veel te lang en zwalkt zich stuurloos een weg naar het einde. De monotonie van de dialogen hamert je voortdurend in je kop, en is er een van bluf en brallen in spetterende doch weinig oprecht overkomende volzinnen. En van die dialogen zijn er heel veel in dit boek, en wat ze met elkaar gemeen hebben is dat ze gezocht zijn en ik me echt niet kan voorstellen dat ze ooit zo in werkelijkheid zullen worden uitgesproken. Ik vind dat storend. Of ze nou 16 zijn of 46 jaar oud zijn, boekhandelaar, cafébezoeker of leider van een supportersvereniging, ze praten allemaal in dezelfde gezwollen volzinnen, bedacht aan de schrijftafel van A. F. Th, groot schrijver te Adam. Wat een beproeving om dit te lezen. Een 4,5.
Met Dis had Moring waarschijnlijk een boek voor ogen dat een soort De Goddelijke komedie en Ulysses in het kwadraat moest worden. Maar dan beter. Dat is niet helemaal gelukt. En dat is ook meteen de makke van het boek. Onder de last van de loodzware pretenties van zijn auteur komt er in Dis bijzonder weinig tot leven. Er valt dus vrijwel niets te genieten, humor is volstrekt afwezig. Een kwelling. De eerste 200 bladzijden moet je gedisciplineerd doorploegen, daarna wordt het iets beter, maar het blijft onvoldoende: een 5-.



