JahresTage

april 30, 2008

Een witgehemd orkestje. Over Marte Jacobs – Tim Krabbé

Ingedeeld onder: Boeken — varlam @ 2:28 pm
Tags: , ,

De jonge dichter Emile Binenbaum heeft zijn verliefdheid vertaald in woorden, en een gedicht geschreven over zijn heimelijke geliefde Marte. Pasgeboren girafje heet het. Een mooie titel. Dit pasgeboren girafje is een gecodeerde liefdesverklaring, en niet direct herleidbaar tot Marte omdat Emile zich een beetje schaamt voor het leeftijdsverschil tussen hem en haar van 6 jaar.

Dit op jonge leeftijd door Emile geschreven gedicht blijkt niet minder dan een voltreffer, niet alleen werd het zijn persoonlijke favoriet tussen zijn duizenden andere gedichten, maar ook die van lezers en later zal het uitgroeien tot een klassieker. Hetgeen wel blijkt uit de volgende zin uit het boek:

Als “Emile Binenbaum”het antwoord was in een quiz op de televisie, dan was dat nooit op de vraag wie de grootste dichter van Nederland was, maar altijd op de vraag wie Pasgeboren Girafje had geschreven. (blz 142). Let ook op dat pedante “altijd”.

Tuurlijk. Zou ook een typische vraag zijn die je wekelijks tegenkomt bij een quiz op televisie: wie is de grootste dichter van Nederland? Kan zo in “twee voor twaalf”…Gekkigheid natuurlijk. Enfin, de grootste schrijver van Nederland is Krabbé in elk geval niet.

Wat mij enigszins stoort is dat in “Marte Jacobs” zo vaak naar het gedicht Pasgeboren girafje wordt verwezen en het dus essentieel is voor het boek, maar dat het gedicht nergens deels of integraal weergegeven wordt. Dat is dan kennelijk iets wat aan de bekende verbeelding van de lezer overgelaten moet worden, zoals dat dan heet. Ik vind dat toch onbevredigend.

De lezer wordt op deze manier iets wijsgemaakt zonder dat het waargemaakt wordt. Een auteur kan op die manier alles wel beweren in een roman zonder het aannemelijk te hoeven maken.

Het gedicht Pasgeboren girafje is een publiekslieveling, en in de loop der jaren een klassiek gedicht geworden, een evergreen die niet mag ontbreken bij welke voordracht in het land van Binenbaum dan ook. Waarom staat het dan niet in het boek, waarom de lezer geen deelgenoot maken van de eenvoud en de schoonheid van het gedicht?

Het antwoord is ontluisterend en simpel, ben ik bang. Dit gedicht is er namelijk niet, Krabbé maakt zich er hier wel heel gemakkelijk vanaf en faalt dus in het waarmaken van zijn pretenties (meesterwerk, klassieker, publiekslieveling…kom op dan, laat het zien in het boek…).

Iets dergelijks stoorde me ook al in Sneeuw van Orhan Pamuk. Natuurlijk een ander boek: een complexe roman en niet een novelle met één thema, maar niettemin laborerend aan hetzelfde euvel en daarmee afbreuk doend aan de kwaliteit en geloofwaardigheid van het boek als geheel. Dichter Ka hervindt in Sneeuw in Kars zijn inspiratie en de gedichten komen na jaren van literair droogstaan als goddelijke ingevingen opnieuw tot hem, maar de inhoud of de regels ervan vind je niet terug in het boek Sneeuw, terwijl ze wel degelijk van grote betekenis zijn voor het boek.

Marte Jacobs deed me denken aan “Een vlucht regenwulpen” van Maarten ’t Hart en aan “Terug tot Ina Damman” van Simon Vestdijk. Ook daar onbereikbare jeugdliefdes (en in ’t Harts boek heet het meisje toevallig bijna hetzelfde: Martha), platonische verliefdheden waarbij de lezer deelgenoot is van de kolkende gedachtestromen van de protagonist. Ook daar het continue analyseren en het op zichzelf betrekken door de hoofdpersoon van elke beweging, elke uitgesproken zin van zijn geliefde of afstand, met wie zoals in dit boek wel contact is en met wie gesproken wordt, maar niet over datgene waar het werkelijk om draait.

Marte Jacobs onderscheidt zich wat van de twee andere boeken door het leeftijdsverschil tussen de jongen en het meisje: Emile is 6 jaar ouder dan Marte, maar het soort verliefdheid is niet wezenlijk anders, het leeftijdsverschil maakt de verliefdheid in dit boek niet tot iets ranzigs, het maakt het er eerder mooier en onschuldiger op.

Vier jaar hebben ze elkaar niet gezien, wanneer ze elkaar tijdens een schoolfeest weer ontmoeten. Dat is meteen ook de laatste keer. Marte verdwijnt na afloop van die avond aan de hand van zijn vriend de schrijver Reiff voorgoed uit zijn leven, en zal niet lang daarna zelfmoord plegen. Het motief voor deze daad blijft volstrekt onopgehelderd (was ze ongelukkig dan? Zo ja, waaruit blijkt dat dan in het verhaal?) en is daarom onbevredigend. Wel probeert Binenbaum zich tegen beter weten in wijs te maken dat hij tot het laatst van betekenis was in het leven van Marte, en zich ervan te overtuigen dat ze ook zijn in de krant gepubliceerde vervolg op “pasgeboren girafje” (“Het tweede gedicht” - een vertolking van zijn liefde voor Marte, om aan alle misverstand een einde te maken) gelezen zou hebben, en belangrijker nog, begrepen zou hebben. De gedachte om géén rol meer in haar leven te spelen, terwijl hìj geobsedeerd en volledig door haar in beslag genomen wordt, zou uiteraard compleet onverdraaglijk zijn voor de inmiddels beroemde en gewaardeerde literator.

Door de intensiteit, heftigheid en van de gedachten in Binenbaum’s hoofd en de openhartige eerlijk waarmee dit wordt weergegeven wint het verhaal na verloop van tijd aan urgentie en kon het daardoor op mijn sympathie rekenen. Maar die sympathie sloeg soms ook over in irritatie.

Wat mij vooral tegen ging staan was de betutteling en de uitleggerigheid van de schrijver. Storend zijn de korte zinnetjes die veelbetekenend en suggestief als alinea apart staan. Daarin lijkt hij wel op Conny Palmen die dat met nog veel meer pretentie hetzelfde doet in haar boeken. Irritant is vooral het overdadige gebruik in bijna elke alinea van accenttekens en cursiveringen in zinnen. Alsof de schrijver bang is dat de lezer zijn zinnen anders niet goed zou kunnen interpreteren. De zinnen krijgen daardoor iets nadrukkelijks, een gekunstelde beklemtoning, en een soort vermoeiende dreunende cadans die een vlotte leesbaarheid niet bepaald bevordert:

“Hij was er avonden mee bezig, versie na versie, dagenlang, de hele tijd die hij nog had vòòr de eerstvolgende inleverdatum. Uren waarin hij eigenlijk voor zijn eindexamen had moeten werken, want daar wilde hij wèl voor slagen”.

Of zoals hier: Hij keek net in haar ogen op het moment dat ze zei: iedere keer, en hij dacht te zien dat ze bloosde. Ze had zich versproken: ze had gefantaseerd, misschien al in de bioscoop, over méér afspraakjes met hem, genoeg om daar woorden als ‘iedere keer’ voor te kunnen gebruiken. (blz. 60)

Lang geleden las ik “de Renner” van Krabbé. Ik heb me daardoor heen geworsteld, ondanks dat het net als Marte Jacobs een dun boekje was. Toch was het nog te dik. Marte Jacobs ook trouwens. Krabbé was toen geen stilist en hij blijkt het nog steeds niet te zijn. De volgende zinnen en zinnetjes illustreren dat:

“Een hinniklachje was daarmee in contrast”,

“een nattig weiland…”

“Reiff had zijn bril niet op en keek met een wazige blik, op de rand van herkennen, naar Emile. Emile ging ook zitten, en keek terug”.

“op een podium aan een zijkant speelde een witgehemd orkestje, met strikjes en bolhoedjes…”

“Tovervoorhoede” (bedoelt misschien iets als droomvoorhoede, uit een dreamteam of iets dergelijks )

“Dan is die op en gooit hij de rest weg…” (over het eten van een ananas).

Kromme en onhandige zinnen, je komt ze voortdurend tegen. Op de momenten dat je meegesleept word door het verhaal, zijn ze wat minder storend.

Wanneer je op de website van Krabbé kijkt, struikel je over de lovende recensies van zijn boeken. Beetje zielig hoe hij daar werkelijk alle uitsluitend lovende soundbites uit recensies over dit boek heeft verzameld. Er is geen wanklank te horen! Kennelijk heeft hij dat nodig als bevestiging dat hij toch echt een goed boek heeft geschreven, zelf is hij daar nog niet zo zeker van. Die boeken dus zijn inmiddels ook al in diverse talen vertaald zijn (16 verschillende talen, meldt onze Tim vol trots), waaronder in het Russisch. Geen geringe prestatie voorwaar. Toch vraag je je af, waarom uitgerekend dit soort boeken vertaald moet worden. De Nederlandse literatuur heeft toch wel iets originelers, mooiere, beter geschreven boeken te bieden dan het hooguit niet onaardige werk waarmee Tim Krabbé totnogtoe voor de dag is gekomen.

Interessanter (en ook wel lichtelijk monomaan vanwege zijn verzamelingsdrang en hang naar compleetheid) vind ik hem als beheerder van zijn eigen aan schaakrecords en schaakcuriositeiten gewijde website: Chess Curiosities. Een door schakers zeer gewaarde en veel geraadpleegde website. Daarin is Krabbé iets meer bijzonder.

april 7, 2008

Christophe de verlosser. Over: Sint-Juttemis – Maria Stahlie

Ingedeeld onder: Uncategorized — varlam @ 11:19 pm
Tags: ,

Margot van der Molen vertrekt nadat ze thuis in Amsterdam een alarmerend telefoontje heeft gekregen over het trieste lot van mogelijk haar Franse jeugdvriend en nu bekend acteur Christophe Dralas, in allerijl en in ongewenst maar praktisch noodzakelijk gezelschap van weerspannige puberstiefdochter Liza en aan het dementeren geslagen schoonmoeder Sophia – beiden worden met overduidelijke weerzin de auto ingeduwd – naar het verstikkend hete, hartje zomerse Parijs om daar op verzoek van Christophes broer Jean-Jacques in psychiatrisch ziekenhuis Centre Hospitalier Saint-Anne de na een zelfmoordpoging door middel van het doorsnijden van zijn polsen buiten bewustzijn (of ook wel lichamelijke dissociatie of conversiesyndroom genoemd als meer precieze medische omschrijvingen van de bewusteloze staat waarin hij zich bevindt) verkerende Christophe (of is het toch iemand anders, een sloeber met een snor bijvoorbeeld zoals Margot in eerste instantie hardnekkig zichzelf voorhoudt?) – dat wil zeggen haar naaste naaste, de persoon die zij nooit niet gekend heeft, karakteriseringen van Christophe zoals ze in de roman frequent terugkomen en aan geloofwaardigheid en zeggingskracht lijken te winnen naarmate ze vaker herhaald worden – te identificeren.

Christophe, de persoon om wie het hier gaat, is in alles de tegenpool van de bedachtzame, redelijke, conflictmijdende en vooral rationele Margot:

“Christophe was mijn naaste naaste. Hij was drie weken na mijn geboorte aan me toegevoegd en was alles wat ik niet was. Onbesuisd. Onbekommerd. Onkwetsbaar. We waren totdat we naar verschillende middelbare scholen gingen onafscheidelijk, simpelweg omdat we op elkaar waren aangewezen, omdat het de meest vanzelfsprekende zaak ter wereld was. (-) Ik was trots op zijn wilde dadendrang en op zijn ontembare ongehoorzaamheid, ik was bovenal trots op hem omdat hij zich aan niemand iets gelegen liet liggen.” (blz 15).

Ze groeiden samen op in het Franse dorpje Brouilly, waar Margot’s Nederlandse hippiemoeder destijds toevallig was terecht gekomen en besloten had om juist daar haar voorgoed haar tenten op te slaan, en voor Margot werd Christophe een vanzelfsprekende aanwezigheid in haar leven, ook nadat hun wegen zich gescheiden hadden: Margot ging daarna samen met haar echtgenoot Michel over de wereld zwerven en Christophe werd in Frankrijk beroemd filmacteur – desondanks bleef haar tegenpool Christophe een onmisbare schakel in Margot’s leven, een persoon die niet uit haar leven was te denken, inderdaad dus was: de persoon die zij nooit niet gekend heeft.

De fascinatie van Margot voor de flamboyante, tegendraadse, temperamentvolle, op shockeren uitzijnde Christophe vind ik begrijpelijk: hij is een paradijsvogel tussen het mussengrauw, kwetsbaar ook, iemand die je kan liefhebben of haten, een tussenweg lijkt niet mogelijk, maar daar tegenover is wat minder aannemelijk dat Christophe net zulke sterke gevoelens heeft voor de verteller en ikpersoon van het boek: Margot. Zij is toch wat al te braaf en kleurloos. Hij zal haar graag gemogen hebben, al was het maar vanwege het gedeelde verleden in hun jeugd, maar de sterke gevoelens van Margot voor hem zullen zeker niet zo sterk beantwoord zijn geweest.

Christophe is dus ten langen leste, lijkt het, definitief ontspoord, iets dat zich al door middel van vorige provocerende excessen al min of meer had aangekondigd, en nu heeft hij buiten zichzelf van machteloze woede en walging in een café een toevallig aanwezige bezoeker zeer zwaar mishandeld, en vervolgens de hand aan zichzelf geslagen en zijn polsen doorgesneden. Christophe was in de jaren na de plotselinge en onzinnige dood van zijn idealistische boezemvriend en huisgenoot Sasja – de persoon die beweerde dat er geen wetten waren, waaraan niets of niemand zich kon onttrekken – en met wie hij verhitte fundamentele filosofische discussies op en over leven en dood voerde, cynisch, onverschillig geworden, het leven gaan verachten en voor zijn gemiddelde medemens nog slechts walging gaan voelen, en er geen enkele moeite voor doet om deze destructieve gevoelens te onderdrukken: sarren en provoceren is zijn tweede natuur geworden.

Na de zelfmoordpoging ligt Christophe (het was hem dus inderdaad) levend maar buiten westen in psychiatrisch ziekenhuis Saint-Anne in Parijs. Margot heeft hem herkend als de filmacteur Dralas. Herkenning is niet voldoende voor Margot, want hiermee is haar taak nog lang niet volbracht. De beste brave, toegewijde Margot, ze zal ervoor zorgen dat hij weer bij zijn positieven komt, niet alleen dat, maar ook dat Christophe voorgoed uit de negatieve spiraal van cynisme en walging zal kunnen ontsnappen en weer in staat zal zijn om zin te kunnen geven aan het leven. Die pogingen falen vervolgens dus kansloos. Of het nou aan zijn ziekbed door Margot vertelde gemeenschappelijke herinneringen uit hun jeugd zijn, of, om ontboezemingen en gedachten gaat die ze nog aan niemand eerder heeft verteld: Christophe is en blijft buiten westen, en blijft zwijgen als het graf.

Het gevoel van machteloosheid wordt steeds groter. Geen enkele traditionele methode om Christophe tot leven te wekken blijkt te werken. Voor een perfectioniste als Margot onverteerbaar en door de hierdoor ontstane spanning wordt ze volstrekt ongenietbaar voor haar omgeving, waarmee ze toch al op voet van oorlog staat. In het kleine Parijse appartement van Christophe dat vervuild en verwaarloosd is en waar ze gedrieën verblijven, is het niet om uit te houden in deze zomerhitte, en dan zit ze ook nog eens opgescheept met het onwillig gezelschap van haar dwarse, puberende, stiefdochter Liza en haar dementerende en incontinent geworden en nu dus extra kwetsbare schoonmoeder Sophia. Deze situatie wordt bijzonder beklemmend weergegeven. Een kleine ruimte, stikheet, en dan opgezadeld met mensen die niet met je mee willen denken, en die je liever vandaag dan morgen ziet gaan, en dan ook nog eens bezig met een heilloze missie om Christophe weer tot leven te brengen. Je ziet het gewoon voor je, je kunt het bijna ruiken. Het leidt alles tot niets en de gedesillusioneerde conclusie van Margot luidt dan ook:

“Het had geen zin om nog langer in Parijs te blijven. Liza en Sophia hadden lang genoeg in mijn maalstroom opgesloten gezeten. Lang genoeg was lang genoeg. We gingen naar huis. De volgende ochtend zou ik ook Jean-Jacques den dokter Thibault op de hoogte stellen van mijn vertrek. ‘Het is is zoals het is, Belhadi, het zal met jou en met Christophe aflopen zoals het zal aflopen…ìk heb het in ieder geval niet in me om daar iets aan te veranderen.’” (blz. 256)

Juist wanneer ze zichzelf op dat moment ontslaat van de verplichting, van de druk ook om zich als eerst verantwoordelijke te bekommeren om het lot van Christophe, om de reden van zijn ontsporing te achterhalen, om zijn genezing te bespoedigen, en dus om de strak gehouden teugels eindelijk eens te laten vieren, gebeurt er iets bijzonders: door middel van verbeeldingsflitsen (die enkele keren ingeleid worden met de welhaast bezwerende woorden: ..en ik zag nog veel meer…alles tegelijk, verweven en toch zo helder als glas – blz. 287) die haar beelden en verhalen laten zien van de haar direct omringende personen, vooral Christophe natuurlijk, en die veel meer nog waarheden, essenties bevatten van deze personen dan ze uit de “gewone” werkelijkheid kan destilleren, de beelden zijn zo intens en indringend dat Margot zich na afloop van deze “visioenen” er gegeneerd bij voelt om zo diep doorgedrongen te zijn in hun privé-leven zonder dat zij daar zelf weet van hadden. (Die dromen, beelden komen een aantal keren voor en hebben betrekking op Sophia en haar gevoel voor haar omgekomen zonen en haar wanhopige leven daarna, op de dood van wereldverbeteraar Sasja, op hoe Christophe zijn stalkster Nathalie Dufregne in Arizona voorgoed zou laten verdwijnen, op Liza die de masturberende zwarte werkster ontdekt in de heimelijk door Michel aangehouden woning in Parijs, nog eens op Liza en haar rol in de affaire tussen de naakte Jennifer en Christophe bij de buren op het gazon, de ontmoeting tussen Christophe en buurman Nico en hun discussie over waarden, familie en geluk). De droom blijkt sowieso in één geval niet te kloppen, dat wil zeggen niet te stroken met de objectieve waarheid: stalkster Nathalie blijkt niet te zijn overleden, maar is achtergebleven in Amerika. Ze stuurt Christophe een kaart met daarop de tekst: De ban is gebroken. Ik heb overal spijt van. Mijn toekomst ligt niet in Parijs maar hier. Het ga je goed. Nathalie.”

De snelkookpan van de zich opeenstapelende gebeurtenissen (met name in haar hoofd) in Parijs werkt als een bevrijding voor Margot, althans dat maakt ze zichzelf wijs in haar euforie na het doormaken van die inzicht verschaffende visioenen, droombeelden, die als een catharsis voor haar vastlopende leven zijn:

“Ik had mezelf geleerd om de teugels nooit meer uithanden te geven. Ook mijn ban was hier in Parijs gebroken. Of het nou door de aanhoudende hitte was gekomen, of door Christophes aanstootgevende onbeweeglijkheid, mijn verbeelding had zich aangesproken gevoeld en was in beweging gekomen…was op drift geraakt…had een hoge vlucht genomen en me bevrijd uit mijn zelfopgelegde ballingschap. Nathalie Dufrègne, Auguste Renoir, Sophia, Liza, ik…”. (blz 402).

De stress en de hitte hebben haar bevattelijk gemaakt voor de werkelijkheid van het irrationele en in haar slipstream volgen dus ook de mensen uit haar directe omgeving. En nu is ook Christophe aan de beurt om verlost te worden van zijn cynisme en haat tegen de wereld, waarom niet!

Christophe is in de jaren na de dood van zijn vriend Sasja geworden tot een cynicus, tot iemand die de wereld veracht en met name een grondige hekel heeft gekregen aan wereldverbeteraars. Na Sasja’s dood heeft hij getracht diens ideeën zich eigen te maken (die van graaf Koetoezov, Sasja’s alter ego), om Sasja niet te vergeten, maar het lukte hem niet, hij kon slechts doen “alsof”. Doen alsof was ook de manier waarop hij – beroemd filmacteur – speelde, een kunstje dus, met oprechtheid had het allemaal niets te maken. En idealisten kon hij wel schieten:

Arrogant en ijdel was de zelfgenoegzame die niet alleen de waarheid in pacht meende te hebben maar deze ook nog zo nodig aan de grote klok moest hangen. Sasja was een clown…een nog grotere clown, een opgefokte malloot die niet eens in staat was de leegte in zijn eigen kop te vullen. Hij had met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd geslagen, drie keer. Leeg. Leeg. Leeg. (blz 251 Christophe bij de Mirski’s).

En ook de anderen die op deze manier later zo de idealistische clown uithangen net zoals Sasja dat eerder deed: Margot’s buurman Nico, die hij probeert af te straffen door diens vrouw voor een buitenechtelijke relatie in te palmen, en Mohammed Ali waarover Christophe in de slotpagina’s van het boek vertelt is ook een clown en een idealist die kan rekenen op zijn walging en weerzin. Voor Christophe bestaat er slechts leegte.

Christophe ontwaakt onverwacht uit zijn lichamelijke conversie, en ontsnapt uit het psychiatrisch ziekenhuis. Fysiek niet in staat tot enige inspanning, strompelt hij toch met de verbanden nog om zijn gekwetste polsen door Parijs – als Lazarus, of misschien wel als Jezus na zijn kruisiging opgestaan uit de dood (interessant die analogie met Christus! Ook Christus was geliefd hoewel hij een zonderling was, en kwam als verlosser naar de aarde om de mensen van hun zonden te bevrijden, te louteren dus en te bevrijden. Precies wat ook bij Christophe gebeurt: door zijn lijdensweg, wordt de ban gebroken bij Margot, Liza en Sophia ze worden in feite opnieuw geboren als mens! Dit verklaart de slotscène misschien daarom dan ook beter….) – terug naar zijn woning waar hem het gezelschap wacht van de drie dames Liza, Margot en Sophia.

Christophe is niet meer te redden, de door hem ervaren leegte is zo fundamenteel dat bij hem geen sprake meer kan zijn, zoals wel bij Margot en de anderen, van het breken van wat voor ban dan ook. De enige reden van zijn thuiskomst is om het werk nu af te maken en hem bij het doorsnijden van zijn polsen in het café eerder niet direct lukte. Een plan dat hij na een praatje met de dames uitvoert: vanaf zijn eigen flat springt hij zich te pletter.

Het boek eindigt raar en onbevredigend (of misschien ben ik teveel een droogstoppel om het te begrijpen): Liza, Margot en Sophia zien hem door het appartement rennen en van het balkon springen, en staan aan de grond genageld maar zien dat hij niet te pletter valt maar juist weer opdook en wegvloog. Gedrieën vormden zij “een aan de grond genagelde driehoek van ongeremde en zuivere verbeeldingskracht” die Christophe zagen wegzwemvliegen, met armbewegingen van de vlinderslag en af en toe schoolslagbewegingen van zijn benen (moeten Christophes opstijging soms zien als analogie van Christus’ hemelvaart?). Merkwaardig! De persoon om wie in dit boek alles draait is eindelijk bij zijn positieven gekomen. De verteller van het verhaal en haar direct omringenden hebben na moeilijke dagen in een zinderend heet Parijs vol met directe persoonlijke confrontaties een persoonlijke catharsis doorgemaakt, hebben bannen gebroken, zoals het in het boek heet, en lijken het leven weer met nieuwe moed aan te kunnen, maar juist Christophe, hij die alles en iedereen in de schaduw stelt, is niet bevattelijk voor wat voor vorm van loutering dan ook:

“Hòòr je dat, Margot! loeide Christophe en ik beaamde aan de andere kant van de muur, aan de andere kant van de wereld, in het heden, dat ik had gehoord wat Sasja beweerde. “We kunnen een nieuw mens worden! En ik weet precies wanneer! Met Sint-Juttemis…met Sint-Juttemis zal zich dat wonder, die metamorfose voltrekken!” (Christophe tien jaar eerder tegen Margot, blz 60)

Voor Christophe was het te laat. En hij springt dus van het balkon. Maar de drie dames zien hem na de sprong weer opveren uit de diepte en vrolijk wegzwemmen in de lucht. Dat merkwaardige einde dus. Welk doel dient dit? Christophe is alles zat en wil gewoon dood, laat hem lekker, zou je zeggen. Waarom die”driehoek van zuivere verbeeldingskracht”? En waarom met zijn drieën, Margot was toch degene bij wie eerder al die tot loutering leidende droombeelden ontstonden?

Misschien om hiermee beeldend duidelijk te maken dat met de dood van Christophe, hij niet vergeten zal zijn, maar dat hij zal voortleven in de verbeelding en in de herinnering van zijn (naaste) naasten, van de mensen die van hem gehouden hebben?

Of moeten we hier meer denken aan de verbeelding zoals die eerder in het boek is beschreven: “de zich aangesproken gevoelde verbeelding … die in beweging was gekomen en op drift geraakt en hen had bevrijd uit een zelfopgelegd ballingschap“ en we hier tot actie zien overgaan?

Ik ben er nog niet helemaal uit, uit dit raadselachtige slot. “Een driehoek van zuivere verbeeldingskracht”. Die sereniteit, rust en beheersing die deze formulering suggereert is niet het eerste wat je van deze toch behoorlijk labiele dames verwacht, wanneer ze er getuige van zijn dat hun dierbare Christophe zelfmoord pleegt en van de flat springt. Paniek, angst, chaos, loeiende sirenes, geschreeuw, gejank etc. dat komt toch eerder bij je op bij zo’n incident, en dus niet drie aan de grond genagelde dames die zo’n rare, wereldvreemde driehoek van ongeremde en zuivere verbeeldingskracht vormen.

Een ongeloofwaardig slot van een verder, schitterend boek. De karakters komen zo prachtig en geloofwaardig tot leven, zoals je niet vaak tegenkomt in moderne Nederlandse romans. Christophe, Liza, Sophia, Sasja, Jennifer en Nico, Michel, Maurice Dutoît en Margot zelf ook, het zijn allemaal round characters, die je gewoon vòòr je ziet en regelrecht uit het werkelijke leven lijken weggelopen.

De spanning in het boek is voelbaar van begin tot het einde. Het eerste deel is een overspannen speurtocht van Margot in het smoorhete Parijs om te achterhalen welke oorzaken hebben geleid tot Christophes verval, in de (ijdele) hoop daarbij ook op een “medicijn”te stuiten dat hem weer tot leven kan wekken. Op haar zoektocht komen er steeds nieuwe feiten, nieuwe openbaringen naar buiten die Margot de illusie geven dat ze op deze manier, door te onderzoeken, te analyseren dichter bij Christophe kan komen en dichter bij zijn genezing. Ze blijkt uiteindelijk echter vast te lopen, omdat geen enkele methode blijk te werken en Christophe zich hardnekkig blijft hullen in zijn conversiesyndroom.

Op het moment dat ze de handdoek in de ring wil gooien, en gedesillusioneerd terug wil keren naar Nederland en haar onderzoek dus lijkt dood te bloeden, wordt er in het verhaal een nieuw spanningselement geweven, een element toegevoegd dat het verhaal van een nieuwe lading en spanning voorziet en daarmee ook de lezer voorziet van nieuwe energie. Dit element heeft te maken met de Michel, de echtgenoot van Margot. Diens dochter Liza, Margot’s stiefdochter is er in Parijs achter gekomen dat Michel zonder medeweten van Margot hun oude woning in Parijs heeft aangehouden. Deze woning staat niet leeg, maar is volledig ingericht, en Liza heeft er binnen een negerin gezien die meezong met in het huis afgespeelde muziek en zich daarna bevredigde op bed. Wie is deze persoon? De werkster van Michel, of misschien wel zijn maîtresse?

De drie dames besluiten om na het vastlopen van Margot’s onderzoek, hun terugreis naar Nederland uit te stellen en te verkassen naar Michel’s woning om hem daar op heterdaad te betrappen! De schoft! Het leuke nu, of het verneukeratieve is dat deze nieuwe verhaallijn en de spanning die daarmee in het verhaal wordt opgeroepen achteraf bewust misleidend blijkt te zijn geweest en het slechts een schakeltje vormt in het grote, “echte”verhaal rond Christophe. Aan het einde van het boek is namelijk helemaal niet duidelijk hoe deze verhaallijn is afgelopen. Hoe reageerde Michel? Wat waren zijn beweegredenen? Was de donkere vrouw zijn werkster of toch zijn vriendin? Wat zijn de consequenties voor de relatie tussen Margot en Michel. Die informatie wordt door de auteur niet verschaft, want kennelijk is dat niet waar het hier in dit boek om gaat en is het dus niet belangrijk.

Alsof de personages het zelf ook doorhebben dat ze op dat moment niet in het koele, comfortabele, van alle gemakken voorziene huis van Michel mogen zijn, verkassen de drie dames op dringend verzoek van Sophia daarop vrijwel direct weer naar kleine, zinderend hete kot van Christophe. Daar horen ze nu te zijn, nu Christophe buiten westen in het ziekenhuis ligt. Snel daarop krijgt het verhaal nieuwe power door de dromen, de visioenen, de werkelijk prachtig neergezette, kristalheldere verhalen van Margo’s verbeeldingskracht, die haar zoektocht naar Christophe van nieuwe impulsen voorziet. Zo word je als lezer door de auteur meegenomen naar het einde van het verhaal. Aan dit einde van het verhaal, wanneer Christophe tot aanvankelijke euforie van Margot (alles lijkt weer mogelijk) ontwaakt is uit zijn slaap, naar zijn flat wankelt en ondanks al haar inspanningen, haar wil om zijn lot ten gunste te keren en haar onbaatzuchtige liefde voor hem, blijkt Christophe al zo onbereikbaar te zijn, dat hij met geen mogelijkheid meer te redden is. De zelfverkozen dood is daarom de voor Christophe de enige logische uitweg.

Prachtig boek: 8,5.

Blog op Wordpress.com.