Archief

Archief voor juli, 2011

Mogwai op Cactusfestival in Brugge

Het door mij sinds enkele jaren geadoreerde Mogwai sloot dit weekend het Cactusfestival in Brugge af. Het Cactusfestival is een relatief wat kleiner festival (als je het vergelijkt met Pinkpop of Torhout/Werchter) dat dit jaar alweer voor de 30e keer plaatsvond en zich ook nu weer afspeelde op een hele mooie locatie in Brugge: het Minnewaterpark, niet ver van het fraaie, onaangetaste en schitterend onderhouden historische centrum en ten westen van het festivalterrein begrensd door het eeuwenoude begijnhof Ten Wijngaarde. De arme benedictinessen zullen er de afgelopen dagen herhaaldelijk uit hun ledikantjes getrild zijn, maar mogelijk dat er na 30 edities inmiddels enige gewenning zal zijn, of misschien wel waardering. Ik heb de zusters op het festivalterrein overigens niet zien rondlopen.

Mogwai was aan het einde van een lange, warme en zonovergoten dag, op zondagavond op kwart voor 12 aan de beurt, nadat het Belgische Arsenal ondanks haar beperkte muzikale middelen het publiek met een effectief optreden redelijk in vervoering had gebracht. Van de andere opwarmers had ik vrijwel niets gezien: de kakafonie, eigen aan festivals, die er ook hier was, hoewel minder ordinair dan in Nederland, had me doen besluiten om het concert van Iron and Wine dat mij toch wel de moeite waard leek, te skippen en pas rond een uur of tien uitgerust op het terrein terug te keren. Maar voor Mogwai was het daarna echter geen enkel probleem om de aandacht van het iets uitgedunde en deels uitgebluste publiek (nog altijd zo’n vijfduizend man, schatte ik) weer op zich te vestigen. De stoicijnse Schotten zullen zich sowieso niet zo snel van de wijs laten brengen.

Mogwai speelde een vrijwel complete set zoals ze bij gewone concerten spelen: dertien nummers, deze keer wat meer specifiek geent op festivalpubliek met vooral de klassiekers uit het repertoire: Hunted by a freak, Friend of the night, Two rights make one wrong, Helicon 1 en Mogwai fear Satan als afsluiter. Het prachtige, delicaat opgebouwde I’m Jim Morrison, I’m dead dat langzaam aanzwelt en uitmondt in een krachtige voortrollende zee van geluid hoort inmiddels ook bij deze highlights. Het nummer wordt bijna elk concert gespeeld zo ook deze keer. Er werd geopend met het sterke White Noise van hun laatste CD Hardcore will never die, but you will. Het is bij uitstek een introductiesong bij een concert: instrumenten, met name gitaren, die zowat de hele de duur van het nummer nodig hebben om zich tastend een weg te banen naar een fraaie, omvattende melodie die zich aan het einde van de song ook krachtig en overtuigend openbaart. Om 1 uur ‘s-nachts werd het festival afgesloten met de grootste klassieker uit het repertoire: Mogwai fear Satan, van hun eerste full-length CD Mogwai Young Team. Jammer dat ik zo bij het vierde nummer of daaromtrent bij Friend of the night zo’n ontzettende druk op mijn blaas kreeg, dat ik het werkelijk niet meer hield en me moest wegrukken van het concert om een dixi op te zoeken. Zo’n mobiel toilet ziet er na drie dagen intensief gebruik door festivalgangers werkelijk hels uit, maar als je zo moet pissen als ik toen dan maakt het eigelijk niet zoveel uit waar je je kunt ontladen. Gelukkig kon ik even later, buitengewoon opgelucht, zonder veel problemen weer een mooie plaats innemen en miste zo gelukkig weinig van het optreden van mijn helden.

Zoals elke keer (voor mij was het het vijfde Mogwai-concert: twee in Belgie, drie keer in Nederland) heb ik van het concert met volle teugen genoten. Het was mooi, het was krachtig, intens en overtuigend. Eigenlijk stellen ze me nooit teleur, hoewel ik elke keer wel het gevoel dat dit toch nog steeds niet het ultieme Mogwai-concert was. Deze keer zaten de bandleden tijdens de nummers ook weer vaak ontevreden te rommelen met hun instrumenten, te gebaren naar de soundtechnici aan de zijkant en onderling te praten omdat er kennelijk aan het geluid toch het een ander voor verbetering vatbaar was. Eigenlijk ging het alleen voor zover ik het duidelijk kon merken bij het wat stillere middengedeelte bij de afsluiter Mogwai fear Satan mis, toen er enige tijd een nare dreinerige zoemtoon van een electrische gitaar te horen was. Zo is er altijd wel wat, maar concerten van Mogwai zijn en blijven toch de lichtpuntjes waar ik elke keer weer maanden vantevoren naar uitkijk en waarvan ik voorlopig nog lang geen genoeg heb. Begin november van dit jaar spelen ze in Werk 2 in Leipzig, wanneer hun aangekondigde nieuwe EP Earth Division inmiddels verschenen moet zijn. Dat lijkt me wel wat: een concert van Mogwai combineren met een stedentrip in het voormalige Oost-Duitsland.

De oversteek van Justin Cronin: een bittere pil

Toch wel erg benieuwd welk verhaal er zou horen bij die intrigerende, griezelige omslag van het bleke meisje met de bijna lichtgevende ogen trok ik eindelijk het al enige tijd geleden aangeschafte, vuistdikke (994 bladzijden) De Oversteek van Justin Cronin uit mijn boekenkast.

Ik heb er nu de tijd voor (bijna tussen twee banen in, snapt u), dus laat ik eens helemaal opgaan in zo’n fascinerende pil van een boek. Er was concurrentie van Oorlog en Vrede, The Quincunx, Don Quichot en nog zo wat ongelezen monsterromans, maar ik pakte toch De Oversteek omdat ik de laatste tijd nogal in de thriller-mood ben. Ik had een aantal boeken uit dat genre verslonden: de trilogie van Stieg Larsson, romans van Jo Nesbo (zeer intrigerend en onderhoudend) en ook Tom Rob Smith (erg slecht) en verwachtte De Oversteek ook de nodige spanningselementen hoewel het in de boekhandel als gewone literatuur verkocht wordt (literatuur, jawel, even onthouden!).

Ik verwachtte nogal wat van het boek. Ik had op internet gelezen dat de auteur voor de trilogie waarvan De Oversteek het eerste deel vormt met zijn uitgever een contract had getekend dat hem een bedrag van 3.75 miljoen dollar opleverde. Daarnaast waren de filmrechten voor het toen nog onvoltooide manuscript verkocht voor 1.75 miljoen dollar. Kassa voor Cronin! Wanneer er met zoveel dollars geschoven wordt, dan moet er toch wel iets zijn dat de moeite waard is, zou je zeggen.

Op Youtube wemelt het van de filmpjes met laaiend enthousiaste recensies (in een filmpje zegt een recensent: De Oversteek doet je weer beseffen dat het lezen een van ‘s-levens grootste genoegens kan zijn! Ja nou!

Ook op amazon.com staan werkelijk honderden besprekingen, recensies die vrijwel unaniem lovend zijn en het boek belonen met de maximale waardering van 5 sterren.

Dat beloofde dus heel wat leesplezier! Enfin, ik nam het boek ter hand en begon te lezen.

Laat ik maar direct vertellen wat ik van het boek vond: ik was er niet kapot van, om het zachtjes uit te drukken. Naarmate ik verder kwam ik het boek, kon de verhaallijn me eigenlijk steeds minder boeien, totdat ik het boek uiteindelijk na 700 gelezen bladzijden zuchtend van ergernis terzijde schoof om het verder niet op te pakken. Lezen moet wel leuk blijven en niet ten koste gaan van mijn goede humeur. En het lezen van De Oversteek was voor mij, grotendeels, geen fun.

Ik vraag me af wat de reden nu precies is dat het boek me niet kon bekoren: is het puur het genre dat me niet aanspreekt of is het boek op zich met zijn intrinsieke kwaliteiten waarmee ik geen affiniteit heb? Ik neig naar de tweede mogelijkheid, hoewel ik toegegeven niet bijzonder vertrouwd ben met het genre waarin De Oversteek hoort, en waarschijnlijk ook niet zonder reden.

Een thriller zoals ik eerder gedacht had bleek De Oversteek bepaald niet. Wanneer je het boek wilt categoriseren kom je eerder in de hoek terecht van de sciencefiction en fantasy, aangevuld met wat scheuten horror en vampier-gedoe en wat toefjes mystiek en spiritualiteit. Kortom van alles wat, maar bij elkaar is het resultaat niet bijzonder appetijtelijk, ben ik bang.

Fantasy is niet echt een genre waarin ik thuis ben, maar dat hoeft geen bezwaar te zijn. Uiteraard heb ik wel de films van de Lord of the Rings gezien (die prachtig amusement vormen, en nog mooier zouden zijn in 3-D), maar het boek waarop de film gebaseerd is: In de ban van de ring van Tolkien heb ik laten liggen, ondanks een populariteitsgolf van deze schrijver binnen mijn familie inmiddels heel wat jaartjes geleden. Een van de weinige boeken uit het genre dat ik ken is het fascinerende Bermtoeristen (Piknik na obotchine) van de hier totaal onbekende sovjet-schrijvers Arkadi en Boris Stroegatski: een sciencefiction roman vol met stoere, hard-boiled personages en een verhaal dat spannend en geloofwaardig tot het einde blijft. Het boek heeft destijds de filmmaker Andrei Tarkovski geïnspireerd tot het maken van zijn film Stalker (een mooie film, als je ervoor open staat, maar met het boek had het verder niets te maken: hij maakte van het van sciencefiction boek een film die draaide om beeld en ideeën – minstens even fascinerend als het boekje van de gebroeders Stroegatski).

Het genre hoeft niet echt een belemmering te zijn, maar wat is het dan dat lezing van De Passage zo’n teleurstellende ervaring maakte?

Het idee van de roman is interessant: De FBI heeft een geheim project opgezet: het Noach-project, waarbij er een nieuw, menselijk wapen ontwikkeld wordt op basis van op proefpersonen geïnjecteerde tropisch virus. Het very-slow-aging virus zorgt er niet alleen voor dat het verouderingsproces vertraagd wordt, maar doet de proefpersonen ook veranderen in op bloed beluste monsters (daar heb je ze, de vampiers!) die zonder scrupules mensen uit de weg kunnen ruimen. De zogenaamde Viralen (in het boek krijgen ze diverse namen) die een krachtig en effectief wapen zouden kunnen vormen bij speciale (internationale) operaties van het Amerikaanse leger, mits ze uiteraard onder controle gehouden en bestuurd kunnen worden. Die controle blijkt echter bij lange na niet waterdicht en de viralen weten uit het laboratorium te ontsnappen en richten daarbij een waar bloedbad aan. Ze trekken de bewoonde wereld in, waarbij de vreselijke gevolgen zich laten raden.

Dit eerste deel van het boek vond ik nog wel de moeite waard: De gebeurtenissen en ontwikkelingen worden vooral gevolgd vanuit de ogen van Brad Wolgast, een FBI-agent die de opdracht heeft gekregen om proefpersonen te rekruteren onder ter dood veroordeelde gevangenen die verder niemand hebben om zich om hen te bekommeren. Het project moet uiteraard strikt geheim blijven. Maar er is niet echt een eenduidig vertelperspectief – het verhaal wordt ook bekeken vanuit het gezichtspunt van andere personages: zo is er Amy (het meisje dat later zo’n belangrijke, reddende rol zal moeten spelen), FBI-functionarissen, zijn er uitgeprocedeerde gevangenen, de schoonmakers-bewakers in het laboratorium en nog meer personages. Dat is een keuze en het kan.Het vervelende nu in dit boek van Cronin is dat wanneer hij de wereld beschrijft van al deze figuren (het maakt in feite niet uit wie) hij vervalt in een weinig bijzondere, wat voorspelbare flow van gedachten die ook nog eens beschreven worden in een soort irritatie opwekkende, weinig literaire, truttige meisjesstijl. En dat verraadt dat hij onvoldoende kennis heeft van de psychologie van zijn personages of zich er gewoon niet voldoende voor heeft ingespannen om ze een eigen gezicht, een eigen vocabulaire, kortom iets eigens te geven. Het lijkt allemaal zo op elkaar. Continu die truttigheid. Het hele boek (voor zover ik dat gelezen heb) gaat dat zo door en op den duur verveelt dat buitengewoon.

Deel een eindigt met een apocalyptisch panorama: door de uitbraak van de viralen en al de slachtoffers die ze gemaakt hebben (de doden en de geïnfecteerde slachtoffers) is Amerika veranderd in een onleefbaar gebied, met slechts een enkeling die in staat is om te overleven en uit de greep van de viralen te blijven. Daarop haakt deel 2 in, waar een sprong in de tijd van zo’n 100 jaar gemaakt wordt en de lezer kennis maakt met zo’n gemeenschap van mensen die heeft weten te overleven, maar bij wie het dagelijkse leven wel in het teken staat van de paranoia in verband met altijd aanwezige dreiging van aanvallen door op bloed beluste viralen. Er wordt een hele reeks nieuwe personen geïntroduceerd, en zelfs gebruik gemaakt een eigen vocabulaire binnen de gemeenschap (en je flink op de zenuwen werkt), maar ook hier weer wat terugkomt: die tuthola-stijl, zo zeikerig, zo weinig markant. Lastig uitleggen, maar wanneer je net een boek hebt gelezen als Bonita Avenue van Peter Buwalda, dan zul je begrijpen wat ik bedoel.

Het wel en wee van de kolonie wordt beschreven, de onderlinge verhoudingen, de vriendschappen en tegenstellingen, en de gezamenlijke strijd tegen de geïnfecteerde vijand en het wanhopige overleven. Op een bepaald moment zijn er verwikkelingen, Amy komt in beeld en de techneut onder de bewoners ontdekt dat er ook buiten de kolonie nog levende mensen (dus niet-viralen) moeten rondlopen. Dat leidt tot een expeditie waarbij een ultieme poging gedaan wordt om de mensheid te redden.

Hieromtrent haakte ik af. Ik trok het echt niet meer, wanneer ik weer in een vele pagina’s tellende saaie gedachtengang van een kolonie-bewoner of in een actiescène terecht gekomen was waarbij de bad guys (de viralen) de confrontatie aangaan met de good guys (de kolonisten). Waar gaat het allemaal over en wat het boeit het mij, dacht ik voortdurend. Dit soort actie zal ongetwijfeld prachtig verfilmd kunnen worden en zijn misschien wel met oog daarop geschreven, maar waarom moet het zo uitvoerig beschreven worden? Dat was het probleem met dit boek: naarmate het vorderde werd het steeds oninteressanter en minder belangwekkend voor mij.

Ik heb het boek dus toen uiteindelijk maar terzijde gelegd en denk niet dat ik het nog een keer zal uitlezen. Dit is gewoon niet mijn “ cup of tea”, hoewel ik wel degelijk heb geprobeerd en zelfs tot lang na de irritatiegrens ben doorgegaan. Dat kun je beter niet doen, dadelijk lees je geen enkel boek meer.

Tijd voor een goed boek om weer zin in het lezen te krijgen! Tijd voor literatuur.

Categorieën:Uncategorized
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.